Opvolgers opzadelen met een probleem dat je zelf negeerde

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Asscher en Duivesteijn als PvdA-archetypen. Ofwel: waarom worden al die PvdA’ers uit Paars II pas wakker onder Rutte II? Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Ook zo genoten van dat principiële PvdA-betoog van Duivesteijn en Van der Ploeg, woensdag in deze krant? Ik kan me best voorstellen dat u het even gemist hebt – er waren die dag, en later in de week, nog wel een paar andere dingen die aandacht verdienden.

Zo hadden we woensdagavond – ‘Verviers’ moest nog komen – dat debat over de Parijse aanslagen in de Tweede Kamer.

Het onbesuisde optreden van Wilders liet zien wat in Den Haag nu gelaten wordt aanvaard: de PVV-leider voelt zich politiek beresterk - in zijn eigen gelijk en zijn electorale kansen.

Nadelen heeft dit voor hem ook. Wilders haat verliezen – maar te forse overwinningen vindt hij evengoed een gruwel. De man wil niet wéér eindeloos gedoe met onbetekenende ‘halvegaren’ (zijn woord) die een of ander zeteltje in Drenthe of Zeeland bemachtigden.

Nog meer vreest hij dat zijn partij in provincies moet gaan besturen: wie een complete interne analyse van zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraken van maart vorig jaar maakt, zal zien dat hij óók uit de bocht vloog om zeker te stellen dat de PVV nooit in het college van Den Haag of Almere terechtkwam. Besturen betekent dat hij mensen in zijn partij autonomie moet toestaan – ondraaglijke gedachte.

Dus interne spanningen zul je in zijn wereld altijd houden. Deze week mocht ik weer meemaken hoe een PVV-Kamerlid, gevraagd naar interne incidenten, per sms een filippica tegen sommige van zijn collega’s afstak. Het oudje liedje: voor de buitenwacht staat Wilders’ leiderschap als een huis, in zijn binnenwereld heeft hij een permanent gekuip van malcontenten gecreëerd.

Dan hadden we in dat debat nog de PvdA, vooral Samsom, die mistastte met een vergelijking tussen Wilders en terroristen: het ontplofte in het eigen gezicht van de PvdA-leider. Niet best, zeker nu zijn partij dit weekeinde in onzeker gesternte bijeenkomt.

In die context paste ook dat stuk van Adri Duivesteijn en Rick van der Ploeg. Zij plaatsten Duivesteijns verzet in de senaat tegen inperking van de ‘vrije artsenkeuze’, met de Kerstcrisis als gevolg, in breder perspectief: „fundamentele zorgen over marktlogica in het maatschappelijk middenveld en de verzelfstandiging van talrijke overheidstaken.

Het hoorde bij het archetype van de tomeloze PvdA-strijder dat Duivesteijn zo voortreffelijk past. De sociaal-democraat die, naar het voorbeeld van Den Uyl, nooit versaagt in zijn gevecht voor de allerzwaksten - en desnoods zijn aanzien opgeeft voor het goede doel.

Dus dit stuk was zijn vervolgstap voor het congres: wat nu werkelijk moest gebeuren, schreven hij en Van der Ploeg, was een „debat over de toekomst van de publieke sector”.

Goed idee: als ergens een bron voor de oneindige boosheid van de burger bestaat, is het bij al die verzelfstandigde overheidsdiensten die zich verschuilen achter zo’n computerstem met altijd wachtenden voor u.

Probleem is wel dat dit een nogal oude conclusie is. Ik moest even zoeken, maar vond ten slotte dat de secretarissen-generaal 9 september 1994 - twintig jaar terug! - al adviseerden deze „modetrend” te beëindigen. Dit omdat de toen al gevormde rijksbedrijven niet goedkoper waren, zoals beloofd, en de dienstverlening tegenviel.

Een datum om bij stil te staan: 9 september 1994. Kort ervoor was Paars I (1994-1998) beëdigd. Wim Kok was premier, de PvdA de grootste partij. In de Kamer traden talrijke PvdA-nieuwelingen toe, onder wie Duivesteijn en Van der Ploeg. En even voor het perspectief: op dezelfde 9e september 1994 was Diederik Samsom 23 jaar en student; en Lodewijk Asscher 19 jaar en student. Zou zomaar kunnen dat ze hun PvdA-lidmaatschapskaart nog moesten invullen.

Hoe ook: de PvdA had na 9 september 1994 een gouden kans om die „modetrend” aan te pakken: Hans Dijkstal, vicepremier voor de VVD, bepleitte na het advies van de topambtenaren oktober 1994 óók het terugdraaien van privatiseringen en „het primaat van de politiek” te herstellen. In 1995 sloot de Rekenkamer, destijds geleid door VVD’er Henk Koning, zich bij alle kritiek aan: door de privatiseringen was een „warwinkel” ontstaan, zei hij, het zat „tegen chaos aan”.

Dus Duivesteijn en Van der Ploeg hadden destijds als nieuwe PvdA-Kamerleden een uitstekende positie om hier iets aan te doen. Over de bijdrage van Van der Ploeg kunnen we kort zijn: nooit een poot naar uitgestoken. Maar Duivesteijn ging, in lijn met zijn karakter, de strijd wel aan: hij verzette zich tegen de zogenoemde ‘bruteringsoperatie’ waarmee de woningcorporaties op eigen benen werden gezet (vorig jaar volgde de parlementaire enquête).

En hij ging daarin zover dat de commentator van Trouw hem in 1995 „ruw spel” tegenover het kabinet verweet, waarna hij in 1996 beaamde dat zijn stijl, door Trouw samengevat met „jennen en sarren”, soms onverstandig was.

Het trok de aandacht – maar feit was dat Duivesteijn ten slotte instemde met de bruteringsoperatie. En dat Paars I, aangezet door Financiën, alle kansen op een ommekeer liet lopen: de verzelfstandigde ‘rijksbedrijven’ bleven intact.

Zelfs toen het geld onder Paars II (1998-2002) tegen de plinten klotste – Van der Ploeg was inmiddels staatssecretaris, Duivesteijn vanaf 2000 vicevoorzitter van de PvdA-fractie – gebeurde er niets. En de verkiezing van Ruud Koole tot partijvoorzitter in 2001, die in zijn campagne óók klaagde over verzelfstandigingen, bracht evenmin veranderingen.

Sindsdien zit de zaak op slot: na 2002, nu twaalf jaar geleden, was er nooit meer een kabinet dat de middelen had om ‘rijksbedrijven’ onder de vlag van de overheid terug te brengen. Wel verschijnt nog steeds zo’n beetje elk jaar een rapport of boek waarin het verschijnsel wordt gelaakt. Het blijft zo’n thema dat voor een zekere groep heerlijk discussiëren is - ook al valt het amper nog te redresseren.

Wat dat betreft was dat stuk van Duivesteijn en Van der Ploeg dus een nogal kras staaltje terugonderhandelen: naoorlogs verzet tegen het eigen niet-verzetsverleden. Je opvolgers in de PvdA, en de huidige PvdA-leiding, oproepen te discussiëren over vergissingen die je zelf had kunnen herstellen.

Het gaat verder – ook dat heeft alles met Paars II te maken. De ironie van die ‘vrije artsenkeuze’ is dat uitgerekend de laatste twee paarse jaren inzake de zorg de meest verstrekkende beslissing van de afgelopen decennia is genomen: minister van Volksgezondheid Borst (D66) die, gesecondeerd door topambtenaar Peter van Lieshout, begon het onderscheid tussen ziekenfonds en particuliere verzekering op te heffen.

Alleen daardoor, vertelde Van Lieshout eerder in deze rubriek, kon een volgend kabinet (2003-2006) een volledig particuliere ziektekostenverzekering invoeren. Een stelsel dat verzekeraars macht toekent als instrument van kostenbeheersing: het punt dat Duivesteijn nu Asscher en, vooral, Samsom, aanwrijft.

Zo bezien beleefden we de laatste anderhalve maand in de PvdA een krankzinnig gevecht: PvdA’ers uit de paarse jaren, vooral Paars II, die ongenoegen uitspeelden over verschijnselen die zij in de eigen heldenjaren ongemoeid lieten. En PvdA’ers uit Rutte II, vooral Samsom en Asscher, die zich moesten verantwoorden voor de gaten die deze paarse helden lieten vallen – al waren die voorlopig onmogelijk te dichten.

Tegelijk hoort ook het archetype van de bestuurder bij de PvdA. En bij alle oplaaiende liefde voor Duivesteijn mag je aannemen dat die PvdA zich realiseert dat diens strijdbaarheid maar de helft van het eigen partijverhaal is.

Daags na dat debat met Wilders, hoorde ik, was Asscher, de vicepremier, op werkbezoek op een Amsterdamse school, het Calvijn College. Hij sprak er vmbo-leerlingen die in de recente aanslagen een gegarandeerd zionistisch complot zagen.

Hij was even van zijn stuk, begreep ik, en daar kun je je iets bij voorstellen. Voor iemand die zijn strijdbaarheid achter een mild en gouvernementeel voorkomen verstopt, die evengoed in de traditie van Kok als Den Uyl past, is het integratievraagstuk in deze bange dagen een uiterst gecompliceerde puzzel.

Maar een puzzel die hij nog denkt te kunnen doen. Geen puzzel waarvan de belangrijkste stukjes twintig jaar terug al zijn zoekgeraakt.