Opinie

Na de cartoons gaat het om context en consequenties

De ombudsman

Bent u Charlie of Charlie-moe? Of moe van iedereen die zegt dat hij Charlie is, of juist niet? Sommige lezers zijn dat wel, ruim een week na het drama in Parijs. Daarbij lopen allerlei dingen door elkaar: ongemak met de grote aandacht die de krant aan de zaak besteedde; moeite met de geringere aandacht voor andere bloedbaden; en inhoudelijke afkeer van de cartoons.

Een kritische abonnee uit Groningen klaagde zijn nood zo: „Het blijft voor mij onverklaarbaar waarom opzettelijk kwetsen door ogenschijnlijk verstandige mensen als monument van vrije meningsuiting wordt geëerd. De meest lezenswaardige woorden over de Charlie-hype zijn die die de Angelsaksische benadering schetsen. Dat is het ware liberalisme, niet de in geen verhouding staande papieren klaroenstoten waarmee de krant uitpakte.” Ook een andere lezer snakte naar „normale proporties”.

Hoofdredacteur Sjirk Kuijper van het christelijke Nederlands Dagblad betichtte de krant intussen van „een zeldzame demonstratie van selectieve verontwaardiging”. Want, schreef hij over de krant van vorige week donderdag, „na zeventien pagina’s opwinding over de aanslag in Parijs, opende [NRC Handelsblad] pagina 19 met een stuk over de Ranglijst Christenvervolging met de vraag ‘overdrijven de opstellers niet een beetje?’”

Meten met twee maten?

De krant pakte inderdaad fors uit – maar het is dan ook abnormaal groot nieuws, een terreurdaad die 1,3 miljoen mensen op straat brengt en die ook hier hevig resoneert.

Toch, is het niet scheef dat, bijvoorbeeld, de slachting die Boko Haram aanrichtte in Nigeria veel minder prominent in de krant kwam?

Die vraag werd ook in de krant zelf geadresseerd, in een artikel van Wim Brummelman: onduidelijkheid over de feiten speelde een rol (het dodental staat niet vast), er is weinig of geen beeld, racisme kan een rol spelen (het gaat niet om mensen zoals ‘wij’) en ook letterlijke distantie: Noordoost-Nigeria is ver weg.

Dat laatste is natuurlijk een punt. Nederlandse kranten schrijven net wat meer over Nederland dan Australische. Overigens, dat Boko Haram hier een alom bekende naam is geworden, zegt eerder het tegenovergestelde.

Het stuk waar ND-hoofdredacteur Kuijper op doelt, Bijbelsmokkelaars op de bres (8 januari), behandelde een ranglijst van landen waar christenen worden vervolgd. Met een kritische kanttekening over Irak, waar naast christenen vooral shi’ieten en yezidi’s worden vervolgd. De conclusie van Kuijper dat christenen in Irak volgens de krant „dus niet echt om hun geloof” worden gedood, staat echter niet in het stuk.

NRC Handelsblad, heb ik al eens eerder geschreven, heeft als seculiere krant inderdaad weinig antennes voor christelijke gevoeligheden. De krant is er ook al vaak van beticht moslims ‘politiek correct’ te sparen, en christenen te honen.

Maar de dag na de aanslag in Parijs – dat was die donderdag – lijkt het me nogal logisch, zacht gezegd, dat de media zich daar meer over ‘opwinden’ dan over zo’n jaarlijkse ranglijst.

Wat de islam betreft: het standpunt van de krant is zeker niet het zoetsappige adagium dat die religie er een ‘van vrede’ is. Het is rechtstatelijk: extremisme moet hard worden bestreden, maar Nederlandse moslims zijn medeburgers met dezelfde grondrechten als anderen. Nog los van de vraag of zij zich niet nadrukkelijker moeten uitspreken tegen islamitisch terrorisme.

Dan de cartoons en de vrijheid van meningsuiting. Daarover is opnieuw een debat ontbrand, langs culturele – de Angelsaksische pers tegenover de Europese – en politieke lijnen.

In de Angelsaksische wereld is zelfspot eerder de norm dan beledigen, stelde de krant vast (Angelsaksische satire draait meer om zelfspot, 14 januari), vermoedelijk het „ware liberalisme” waar de lezer in Groningen op doelt.

Maar hoe verkrampt sommige Angelsaksische media daaraan vasthouden, bleek toen SkyNews een interview met een redacteur van Charlie Hebdo subiet wegdraaide toen zij het nieuwe nummer wilde tonen. Associated Press legde uit dat het persbureau geen propaganda of hate speech doorgeeft. Daar vallen de gruwelvideo’s van IS onder, maar kennelijk ook de cartoons. Ook The New York Times hield deze week vast aan het beleid ze niet te laten zien.

Ombudsvrouw Margaret Sullivan van die krant, die zich eerder op de vlakte hield, vond dat na een lawine lezersreacties nu wel te ver gaan: de nieuwe Charlie-voorpagina was niet „nodeloos aanstootgevend” en had nieuwswaarde.

Natuurlijk. Het plaatsen van die cartoons – niet als statement, maar illustratief – hoort bij de informatieplicht van de pers. De lezer moet zelf kunnen bepalen wat hij ervan vindt. Dat is ook het cruciale verschil met die video’s van IS. Die hoef je niet per se te zien om je er een oordeel over te vormen. Maar bij cartoons ontstaat de interpretatie in de blik van de toeschouwer; die ziet dubbele bodems, ironie, of niet.

De krant drukte om die reden woensdag nog eens twee volle pagina’s af uit de nieuwe Charlie Hebdo. NRC kreeg die pagina’s voordat ze verschenen, in ruil voor een advertentie van Charlie Hebdo op dezelfde dag. Andere kranten putten eveneens, maar pas na publicatie, uit de inhoud, met een beroep op het citaatrecht.

Maar tonen is wat mij betreft nog niet omarmen. Al vonden sommige islamcritici het al in 2006 de „plicht” – eerder dan het recht – van de media om cartoons over Mohammed te blijven maken.

Critici van Charlie betichten het nu van racisme, ondanks alle dubbele bodems; een oud-redacteur hekelde in 2013 de „islamofobe neurose” van het blad. Een redacteur sprak dit verwijt tegen in een goed interview met Gert van Langendonck (‘We moeten nu het symbool bespotten dat we zelf zijn geworden’, NRC 13 januari).

Andere stemmen wijzen op de dubbele moraal in Frankrijk: de staat is de ernstigste bedreiging van vrije meningsuiting. Een punt dat ook NRC Handelsblad maakte in een commentaar na de arrestatie van de komiek Dieudonné.

Dat bredere debat over de Franse – en Nederlandse – context is in de krant ook aan bod gekomen, maar nog lang niet uitgeput. Cartoons publiceren verplicht tot dat debat. Deze zaterdagkrant is er, begrijp ik, deels aan gewijd.

Of slaat op dat front ook de vermoeidheid toe?

Collega-ombudsman Tom Naegels van De Standaard gaf mooi lucht aan zijn deprimerende gevoel van déjà vu. Zijn alle argumenten over kwetsen, de islam, religie en de vrijheid van meningsuiting niet al eindeloos gewisseld?

Dat is waar, maar uiteindelijk gaat het om de maatschappelijke werkelijkheid. En die is veranderlijk, met de nieuwe, angstwekkende terreurdreiging in Europa, een assertievere opstelling van moslims in de media; geen Donner-achtige roep om een verbod op ‘godslastering’; en juist meer nadruk op ongebreidelde vrije meningsuiting als ideologisch keurmerk.

Dat laatste heeft een keerzijde. Zoals columnist René Moerland in deze krant schreef: vrije meningsuiting dreigt inmiddels een kwestie van „identiteit” te worden: „Wie niet durft te kwetsen, hoort er toch wat minder bij.”

Zulke dwingende identiteitspolitiek is niet de lijn van NRC Handelsblad, en moet het ook niet worden onder druk van terroristen.