Moslims moeten terroristen erbij lappen

Moslims hebben zicht op jongens met wie het misgaat. Dat betekent verantwoordelijkheid, meent Herman Vuijsje.

Mag van islamieten worden gevergd dat ze zich openlijk uitspreken tegen terreurdaden van fanatieke geloofsgenoten? Opnieuw staan de krantenpagina’s bol van die vraag. Volgens de ene partij, die van Wilders en Le Pen, laat het terrorisme zien dat de hele islam gecompromitteerd is. De ‘islamieten’ zijn dan verantwoordelijk voor de daden van hun terroristische geloofsgenoten. Volgens het tegengestelde, politiek correcte, standpunt maken terroristen slechts een miniem deel van de islamieten uit en worden hun daden door de overgrote meerderheid verafschuwd.

We besteden veel tijd en energie aan zwartepieten over deze schuldvraag. Zonde, want een eenduidig antwoord valt niet te verwachten en een andere vraag is op dit moment heel wat dringender. Wat moet er hier en nu gebeuren om de kans op dit soort aanslagen in Nederland te verminderen? En wat mag daarbij van de islamitische gemeenschap worden verwacht? Als we deze vraag stellen, wordt de schuldvraag van gering belang. Dan doemen andere overwegingen op. Laten we even het uiterste geval veronderstellen dat tussen terrorisme en islam geen enkel verband bestaat en dat de terroristen voor honderd procent worden gedreven door andere motieven, zoals frustratie, uitzichtloosheid, geldingsdrang of gekte. De islam wordt dan slechts misbruikt als frontcover en de ‘islamieten’ kunnen in geen enkel opzicht verantwoordelijk worden gehouden voor de terreurdaden.

Maar dat ontslaat hen niet van een ander soort verantwoordelijkheid. Ook in dit geval is het immers een feit dat de terroristen zich bewegen binnen de islamitische groepering. De leden daarvan hebben het beste zicht op jongens met wie het misgaat en kunnen ook, zoals radicaliseringsdeskundige Halim el-Madkouri maandag in de Volkskrant schreef, haatboodschappen herkennen die niet-moslims ontgaan. Zij beschikken daarmee over een attribuut dat anderen ontberen en dat ze kunnen aanwenden om potentiële terroristen van hun plannen te weerhouden of, als dat niet helpt, tijdig alarm te slaan. Dat schept een bijzondere verantwoordelijkheid, waarop zij mogen worden aangesproken.

Het belang van deze verantwoordelijkheid kan nauwelijks worden overschat. Nu een verdere toename van terroristische acties moet worden gevreesd, zullen veiligheidsdiensten nooit in staat zijn die zonder medewerking van de bevolking te verijdelen. Na de aanslagen van de laatste jaren hebben de Franse inlichtingendiensten besloten zich minder te verlaten op digitale en hightech methodes om informatie te verzamelen, en weer meer op informanten. Maar om één verdachte persoon continu in de gaten te houden, heb je minstens vijftien agenten nodig; met de toename van het aantal potentiële terroristen wordt dat praktisch onmogelijk.

Het is niet gering wat hierbij van de islamitische medeburgers wordt gevraagd. In het land van aankomst troffen zij immers juist een sterke cultuur van afzijdigheid aan. Als Nederlanders dingen zien die niet door de beugel kunnen, komen ze niet in actie maar wenden het hoofd af. Nog maar vijftien jaar geleden bezwoer een Postbus 51-campagne niet in te grijpen bij geweld op straat. Daar heb je instanties voor! Doe maar, moet kunnen, dat is niet mijn pakkie-an. Een oproep tot waakzaamheid staat haaks op dat hele complex van doorgefourneerde onverschilligheid en afzijdigheid.

En terwijl in de omringende samenleving werd gepredikt dat sociale controle verstikkend is, leefden de Nederlandse islamieten zelf in een cultuur waarin die controle juist hevig en angstaanjagend was. Ook nu nog moet een moslim die uit de school klapt, rekening houden met repercussies binnen de eigen geloofsgroep, oplopend van roddel via sociale uitsluiting naar fysieke represailles. Het moslimradicalisme keert zich immers het heftigst tegen ‘afvalligen’. Per saldo worden Nederlandse moslims dus zowel van buitenaf als van binnenuit aangezet tot zwijgzaamheid over de vuile was in eigen kring.

Dat hun angst reëel is, wordt dezer dagen keer op keer aangetoond. Tegelijk kan van de autochtone Nederlanders moeilijk worden volgehouden dat zij een voorbeeld van onverschrokkenheid geven. Keer op keer retireerden Nederlandse instanties uitgesproken laf bij de geringste kans op repercussies door boze moslims.

Het Utrechtse universiteitsbestuur censureerde in 2006 het afscheidscollege van judaïst Pieter van der Horst, die had willen spreken over antisemitisme in islamitische landen. In 2007 ontdeed de directie van de Amsterdamse Nieuwe Kerk de catalogus van een tentoonstelling over Istanbul van passages over de Armeense genocide en homoseksualiteit in het Ottomaanse rijk. Het Haagse Gemeentemuseum weigerde in hetzelfde jaar foto’s van de Iraanse kunstenares Soorah Hera over homoseksualiteit en islam te exposeren.

Ook in een ander opzicht moedigt de in Nederland gebruikelijke manier van doen niet bepaald uit om de autoriteiten attent te maken op ‘foute’ mensen. De oorlog die zich in Frankrijk aankondigt en die ook ons land kan bereiken, roept onwillekeurig beelden en begrippen in herinnering uit ‘de oorlog’ van driekwart eeuw geleden. Een oorlog die in Nederland een diepe afkeer heeft achtergelaten van ‘klikken’, mensen erbij lappen en aangeven, je buren verraden...

Toch is, in weerwil van al deze culturele hordes, nu een beroep op waakzaamheid nodig. Mensen die het gemunt hebben op moskeeën, joodse instellingen of redacties vallen de grondslagen van onze rechtsorde aan. Zij zijn het equivalent van de landverraders uit de Tweede Wereldoorlog en we moeten elkaar erop aanspreken hen wél erbij te lappen en aan te geven. Islamitische Nederlanders komt daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid toe. Niet om zich vrij te pleiten van een verdenking die hen als groep zou treffen, maar om als ‘goede vaderlanders’ naar beste vermogen te kunnen bijdragen aan het verdedigen van onze vrijheid.