Maar wat dácht Euripides dan?

Joyce Roodnat

Op herhaling, mooi zo. Medea. Exodus: Gods and Kings, Mees Kees. Marco Polo.

Maar wat dácht Euripides dan eigenlijk? Niet dat ik dat me regelmatig afvraag, maar wel elke keer dat Medea wordt gespeeld. Van hem is dit klassieke stuk over de vrouw die zich wreekt op haar opportunistische en trouweloze geliefde door zijn kinderen te vermoorden. Probleem: het zijn ook háár kinderen. Het is een ijzersterk dramatisch gegeven, want het druist in tegen alles wat we willen van de in principe ideaalste mens die er bestaat: la mamma. Zij geeft leven, ze neemt het niet. Maar Medea wel. En elke keer dat een theatermaker haar stuk aandurft, moet hij zijn eigen antwoord verzinnen op dat ene onmogelijke houvast dat Euripides hem geeft: Medea is géén slechte moeder. Ze houdt van haar kinderen.

Voor Toneelgroep Amsterdam herschreef theatermaker Simon Stone het stuk in een moderne setting. Medea is in zijn versie een vrouw die geen weg weet met de welwillende kilte van haar ex-man en haar jongens, die met zichzelf bezig zijn zoals jongens doen. Ze wil hen verwarmen, met haar liefde. Met haar vuur. Ze sticht brand.

Marieke Heebink speelt haar verbijsterend goed. Verbijsterend, omdat je bijna tot het einde met haar meegaat. En dan besef je dat je haar zou willen begrijpen maar dat je dat onmogelijk kunt. Ziedaar Medea’s tragedie.

Kunst is vaak herhaling, van een stuk, een tekst, een beeld. Kunstenaars eigenen het zich toe en bouwen erop voort. Dat is spannend, vooral als je de bron kent. Daarom haast ik me naar Exodus: Gods and Kings, de nieuwe verfilming van een van de betere thrillers uit het Oude Testament: het verhaal van Mozes, de joodse jongen die opgroeit als Egyptische prins en zijn volk redt uit de Egyptische slavernij.

Ik zie in de film één meesterzet. God speelt een hoofdrol, en hoe doe je dat? Hier is hij geen donderende stem, geen sprekende wolk en ook niet de woesteling in een robe manteau. Hij verschijnt aan Mozes als een Brits snotjochie. Goed idee, dat maakt Gods wat curieuze wreedheid geloofwaardig. Zo genadeloos zijn opgroeiende jongetjes, niet expres, maar omdat ze het druk hebben met opgroeien. De Nederlandse speelfilmer heeft zijn jongens liever schuchter, naïef en onbegrepen. In de jeugdfilm Mees Kees op de planken zijn zelfs álle jongetjes schattig. En alle mannen ook, meester Kees zelf voorop, met zijn verbaasde blik en zijn haartjes alsof hij altijd net uit bad komt. (Alle vrouwen zijn in deze film halfzacht. Of ze slaan een stofdoek uit.)

De vondst van het God-jongetje in Exodus is grandioos. Verder is het een brave echo van de klassieker uit 1956: The Ten Commandments. Want: waar is baby Mozes in zijn biezen mandje op de Nijl gebleven? Waar het stukgooien van de stenen tafelen zodat Mozes wéér de berg op moet? En waar is „Let my people go”? Go down, Moses, / Way down in Egypt’s land / Tell the old pharaoh:/ Let my people go, zong Paul Robeson, verwijzend naar de slavernij in de VS. Het galmt al decennia na, met Mozes’ mooiste quote omgesmolten tot handzaam Engels. Dus wat lette ze?

Maar Exodus offerde al het oudtestamentische topdrama op voor een rampenfilm-met-de-Bijbel. Niet moeilijk doen, gewoon veel strijdgewoel en bulderende mannen met gespierde tieten. Anders snappen ze het niet.

Ik hoor ook bij ‘ze’. En ik protesteer tegen gedateerde filmmakerij, met aanzwellende muziek, vals sentiment en acteurs die gekostumeerde Amerikanen spelen in plaats van Egyptenaren en joden uit de dertiende eeuw voor Christus. Want ik weet hoe het ook kan. Ik zag namelijk de Netflix-serie Marco Polo.

Tien uren lang kon ik me niet losscheuren van het verhaal van de dertiende-eeuwse Venetiaan die aan het hof van de Mongoolse heerser Kublai Khan belandde. Zijn memoires zijn vaak bewerkt, met als hoogtepunt de roman Onzichtbare steden van Italo Calvino. En nu is er die tv-serie. Die is enerverend naar behoren, met kungfu en veldslagen, met spiesen dwars door torso’s en vol vrouwen met maar een kans op voorspoed: hun lichaam. Maar telkens als iemand sympathiek wordt, krijg je om je oren dat wreedheid en overlevingskunst een en hetzelfde zijn. En wat er ook wordt verteld en getoond, van extreme weelde tot extreme wreedheid, de serie laat zien dat Marco Polo ook een denkend man is. Hij kijkt en zint op vragen zonder antwoord. Hij doet veel, maar je zíet hem denken.