Knobbel

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit Harem, de nieuwe roman van Ronald Giphart.

Op de kamer van haar korridor liet mijn moeder haar map met schilderijen en tekeningen zien aan mijn vader. Een paar ervan kende hij van hun opleiding. Bewonderend bekeek hij ze, en ook als hij ze niet mooi had gevonden zou hij vol lof zijn geweest. Ze vroeg of Mac een vriendin had. Die vraag verraste hem.

‘Waarom wil je dat weten?’

‘Omdat ik dat wil weten.’

Mac knikte.

‘Omdat ik geen zin heb om verliefd te worden op een jongen die er een hele harem op na houdt.’

Mac zei, naar waarheid, dat hij met niemand omging. ‘Ik wed dat een jongen als jij heel veel meisjes heeft,’ zei ze. ‘Volgens mij fotografeer je allemaal grietjes je bed in. Zo’n type ben jij wel.’

Verbaasd riep Mac dat hij zo’n type helemaal niet was. Toen Freja een misprijzend geluid maakte, zei hij: ‘Ik ben in mijn leven nog maar met één vrouw naar bed geweest.’

Waarom hij dit had gezegd begreep hij zelf ook niet. Het was, vond hij, niet iets om mee te koop te lopen. Freja keek hem met grote ogen aan.

‘Wát?’

‘Nou, echt.’

‘Met maar één vrouw? Ben je hómo, of zo?’

Grote ogen nu bij Mac.

‘Ik plaag je, duffer,’ zei ze glimlachend. ‘Wat boeit mij dat? Ik zie heus wel dat jij geen versierderstype bent, al had dat best gekund met dat lange haar van je. Alleen geloof ik echt niet dat je met maar één vrouw bent geweest.’

‘Waarom zou ik daarover liegen?’

Ze keek hem peilend aan.

‘Het zou inderdaad verklaren waarom je nog helemaal niets hebt ondernomen, duffer.’

Droogjes zei ze dat andere jongens allang zouden hebben geprobeerd hun hand in haar trosor te krijgen. Mac knikte. Daar was die verdomde trosor weer. Niet dat het Mac aanspoorde iets te ondernemen.

Wat hem er dan wel toe bewoog mijn moeder beet te pakken had te maken met een verdacht plekje in haar lichaam. Vooropgesteld: er was niets aan de hand. Toen niet, en in de twintig jaar daarna ook niet. Tenminste, er was nooit iets wezenlijk verontrustends of iets wat haar langer dan twee dagen in bed heeft gehouden. Mijn moeder werd geplaagd door een vederlichte vorm van hypochondrie, hoewel ze die de laatste jaren lijkt te hebben overwonnen. Drie dagen verkoudheid was bij haar een auto-immuunziekte. Ontstoken tandvlees zou zeker leiden tot een kaakoperatie en pijn in haar bovenbeen was het begin van het leven in een rolstoel. Haar omgeving wist van haar kwaal, die ze zelf overigens ook niet al te serieus nam (‘soms heb ik de gekmakende angst dat ik hypochonder ben!’ riep ze wel eens, met gevoel voor dramatiek).

Mac was hier nog niet van op de hoogte en schrok toen ze hem vertelde dat ze die ochtend bij een huisartspost een plekje in haar borst had laten controleren. Freja was ervan overtuigd geweest dat er iets lugubers in haar lichaam groeide, maar onderzoek wees uit dat het bleek te gaan om een fibroadenoom, een volstrekt onschuldig knobbeltje weefsel, dat vooral bij jonge vrouwen voorkomt.

‘Maar ja, wat weet zo’n dokter ervan?’ zei Freja. Mac keek haar aan.

‘Waarschijnlijk toch wel heel veel.’

‘O, tóch wel?’

Al de tijd dat Freja over het knobbeltje sprak, had Mac geprobeerd niet te veel naar haar borsten te kijken. Freja droeg een blauw T-shirt met een superman-logo op de voorkant. Ze kantelde haar hoofd en keek met een volstrekt onschuldig gebaar naar de borst waarin het knobbeltje zat. Wederom onschuldig raakte ze haar borst even met haar vingers aan. Mac zei: ‘Als je wilt, wil ik er wel even naar kijken.’

Hij had niet door dat Freja een grapje had gemaakt met haar vraag wat zo’n dokter er nu van wist. Hij hoopte haar oprecht gerust te kunnen stellen. Haar toeverlaat zou hij zijn.

Even dacht Freja dat hij haar in de maling probeerde te nemen, totdat tot haar doordrong dat zijn voorstel gemeend was. Ze maakte de afweging of ze hem zou laten voelen. Het leek haar een spannend spel te zien hoever ze hem zou krijgen... maar ook speelde wel degelijk de angst mee dat hem iets zou opvallen wat haar huisarts over het hoofd had gezien.

Met beide handen trok ze haar T-shirt omhoog tot onder haar kin. Met één hand trok ze haar beha opzij en met haar andere haalde ze haar borst uit de cup.

‘Kom,’ zei ze, toen hij niet direct actie ondernam.

Natuurlijk was er de idiote synchroniciteit van een mogelijk knobbeltje in haar borst en het studentikoze punkbandje dat naar haar boezem was vernoemd. Op dat moment schoot het geen enkele keer door Macs kop dat hij dit later aan Per, Hampus, Kalle en Kasper zou kunnen vertellen.

Dokter McDonald voelde met zijn vingers aan Freja’s borst. Het vlees was zacht en stevig tegelijk, elastisch, vol, glooiend, puur, gepolijst, sierlijk, edel.

‘De knobbel zit hier,’ zei ze, en met twee vingers liet ze hem zien waar hij moest voelen. Hij zette zijn vingers op die plek en inderdaad merkte hij een paar centimeter onder haar huid een beetje weerstand bij de tepel. Het stukje weefsel verschoof onder zijn vingers.

‘Ik voel wel wat, maar ik zou zelf niet hebben gedacht dat dit een knobbeltje was.’

‘Misschien moet je mijn andere tiet ook voelen, als vergelijkingsmateriaal.’

Freja trok de beha nu ook aan de andere zijde opzij en presenteerde Mac haar rechterborst. Hij kneep op dezelfde plek. Even meende hij ook in die borst een knobbel te voelen, waarop hij voor de zekerheid terugging naar haar linker.

‘Ik voel wel wat verschil, denk ik, maar dat is echt minimaal,’ zei hij, met in iedere hand een borst. Even stond hij ingespannen te voelen, als een echte arts.

Toen Freja begon te lachen drong de situatie pas tot Mac door. Hij stond met beide handen voor zich uit, te knijpen in de tepels van het meisje aan wie hij zo goed als iedere avond dacht voordat hij in slaap viel. Mac schoot ook in de lach en zo stonden Freja en hij tegenover elkaar. Mac liet haar los en kuchte.

‘Waarom stop je?’ vroeg ze.