Een Xbox met 230 pk

De eerste Audi TT was wreed en onbehouwen. De nieuwste is een digitale flipperkast, constateert Bas van Putten.

Ik neem mijn zoon mee in de nieuwe Audi TT Quattro, zo’n stampcoupeetje voor de kapsters en de zonnebankgebruinde sportschooljeugd, helemaal bij de tijd met ledlichten en pornografisch groot geschapen lichtmetalen velgen. Je wilt toch ook eens rolmodel zijn voor zo’n jongen.

Het wordt niks. Voor hem lijkt het heel wat hoe ik die laaghangende Audi-muil het natte asfalt laat verslinden, maar hij ziet me geen druppel zweet vergieten. De TT is speelgoed voor pantoffelhelden, een game met kentekenbewijs. Vierwielaandrijving is je levensverzekering in een gevaarloze virtuele realiteit waarin de amateur met 230 pk als een professional kan ravotten.

Om opvoedkundige redenen – lawaai sprak jongens van mijn generatie aan – schakel ik de automaat via de flippers aan het stuur bij inhaalsprints drie trappen terug. Zo kronkelen we brullend door het land met snelheden die ik in een ouderwetse machosportwagen waarschijnlijk niet had overleefd. Ik begrijp nu waarom deze auto onlangs een vergelijkende test tegen een Porsche Cayman won. De echte mannenbroeders leggen het steeds vaker af tegen de digitale turboflipperautomaten.

Wow, mompelt mijn zoon, zijn desinteresse camouflerend met zachtmoedige loyaliteit. Maar het waarlijk eigentijdse aan de auto, de Audi Virtual Cockpit, heeft zijn volle aandacht. Ik zie zijn gamerblik afdwalen naar het display waar hij virtuele wijzerschalen ziet bewegen op de navigatiekaart die als een screensaver het hele scherm vult. Hij ziet de digitale temperatuuraanduiding in de naven van de ventilatieroosters en de multimediacontroller met geïntegreerde touchpad, waarmee het deksels scrollen en swipen is. De menuvoering kan ik hem als een leraar uitleggen; ik heb in Ingolstadt een oefenmiddag doorgebracht met landgenoot Mattijs van Tuijl, ontwerpchef van dit hightechfeestje. Onthoud: Mijn kind vindt leuk wat op zijn telefoon lijkt. Het klinkt raar voor een sportwagen die volgens de stopwatch wel iets meer kan dan voor Xbox spelen, maar hij zag het levenslicht als kinky hebbeding waarvoor presteren nooit de hoofdzaak was.

De eerste TT was uniek. Toen ik in 1995 het prototype zag, dacht ik: Duitsland durft weer wreed te zijn. Onbehouwen brak hij met de aangeharkte schoonheidsidealen van zijn tijd. De TT bestond uit brute velgen met een jasje. De carrosserie lag strak als een biljartlaken over de wielen, tussen de assen opbollend voor de cabine die, laag en krap, als een geschutskoepel boven de onderbouw uitstak.

Koopjesproletariaat

Voor de opvolgers, tot aan de vorig jaar gepresenteerde vierde generatie, liep ik nooit helemaal warm. Ze werden me te conventioneel. Er kwamen sculpturale lijnen en hoeken in die de embryonale rondingen verbauhausden. Maar je moet wat. Na zo’n geweldige first strike loopt een merk tegen het 911-dilemma aan. Er moet een nieuw model komen dat als karakter niet voor het eerste onderdoet, maar niet zodanig dat slechts kenners het verschil zien. Geen Audi-rijder zal zijn portefeuille legen voor een TT die als twee druppels water lijkt op het vorige model dat jan modaal door de enorme afschrijving op dit soort auto’s voor een fooi bij de occasionhandel koopt. Porsche kan dat spel met de 911 al meer dan vijftig jaar succesvol spelen dankzij de unieke kwaliteiten van de auto, die altijd duur en exclusief genoeg bleef om gebruikt uit handen van het koopjesproletariaat te blijven.

De TT die net zijn eerste Porsche vernederde, zit met zijn veel lagere basisprijs van 46.000 euro gevaarlijk dicht op de verloederingsdrempel. Op de prestigeladder staat hij boven de recreatiecabrio’s en de modale GTI’s, maar onder de echte mannendingen van BMW en Porsche, en hij is geketend aan zijn plaats in de markt: te duur voor de onderkant, te gewoontjes voor het grote geld. Zijn publiek is net zo in between, met Gooise vrouwen en gespierde yuppen die hun Audi’s inzetten als lokmiddel voor een bepaald soort vrouwen.

Dat krijg je met vervoer dat niet van bloed en tranen maar uit bits en bytes gemaakt is. En eenmaal op de rit moet je die aanhang binnenboord houden met een zo laag mogelijke drempel. Hij zal dus ongevaarlijk moeten blijven. Nu, dat is de Cayman-slachter, en het is zeer de vraag of een nog sterkere TT het speeltje van dat stigma zou verlossen. Niettemin: kappersvrouwen kunnen voortaan professioneel de beest uithangen en hun versierders mogen blij zijn dat er geen kunst aan is. Briljante show.