Een politica die sterke emoties oproept

De PvdA-fractieleider in de Eerste Kamer heeft haar senatoren niet altijd in de hand. Toch is Marleen Barth de enige kandidaat voor het lijsttrekkersschap bij de verkiezingen voor de senaat.

PvdA-fractievoorzitter Marleen Barth: „Ik ben een uitgesproken persoonlijkheid, en dat kan weerstand oproepen.”
PvdA-fractievoorzitter Marleen Barth: „Ik ben een uitgesproken persoonlijkheid, en dat kan weerstand oproepen.” Foto Hollandse Hoogte

Wie mensen benadert voor een portretterend artikel over PvdA-senator Marleen Barth, krijgt opvallend vaak dezelfde reactie. Stilte. Een rood aangelopen hoofd. Gestotter. En vervolgens een resolute weigering om mee te werken.

„Als ik eerlijk over haar ben, wordt het erg negatief, en daar ben ik niet op uit”, zegt politiek journalist Lex Oomkes, oud-collega bij dagblad Trouw.

„Marleen en ik hebben met elkaar afgesproken dat we niet over die periode naar buiten treden”, zegt een oud-medebestuurder bij de onderwijsbond van het CNV.

„Ik wel wél graag meewerken aan een profiel van mezelf”, grapt GroenLinks-senator Tof Thissen.

Marleen Barth, fractievoorzitter van de PvdA in de Eerste Kamer, is een politica met sterke emoties die sterke emoties oproept. Sommigen hebben een hekel aan haar: ze vinden haar venijnig, oncollegiaal en overambitieus. Anderen prijzen juist haar werklust, uitstraling en gedrevenheid. Zelf zegt ze: „Ik ben een uitgesproken persoonlijkheid, en dat kan weerstand oproepen.”

Komende zondag is Barth op het partijcongres de enige kandidaat om PvdA-lijsttrekker te worden voor de Eerste Kamerverkiezingen, die cruciaal zijn voor de toekomst van het kabinet-Rutte II.

Ze speelt dus een belangrijke rol. Toch lijkt haar positie kwetsbaar na de ‘Kerstcrisis’ waarin drie leden van haar fractie een zorgwet van minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) torpedeerden. Betrokkenen houden haar medeverantwoordelijk: ze wist de senatoren niet in het gareel te krijgen en zou de coalitie onvoldoende gewaarschuwd hebben voor hun dreigende tegenstem. Ook had ze op het cruciale moment in het debat haar telefoon niet bij zich, waardoor ze onbereikbaar was voor de premier en partijgenoten die een vertragingstactiek bedachten.

Na afloop van de noodlottige stemming zag Barth maar één uitweg: ze wilde opstappen als fractievoorzitter. Ze vond dat ze had gefaald. „Het kabinet was in gevaar gekomen door het stemgedrag van mijn eigen club. Daar moest iemand de verantwoordelijkheid voor nemen”, zegt ze nu. De senaatsfractie – inclusief de drie dissidenten – weigerde haar ontslag te aanvaarden, „en na een nachtje slapen was ik weer hartstikke strijdbaar”.

Hyperambitieus

Hoewel Marleen Barth (50) geen landelijk bekende politica is, geldt ze als een veteraan op het Binnenhof. Vijfentwintig jaar geleden begon ze als parlementair verslaggever bij Trouw. Journalist Marcel ten Hooven was haar chef toen zij daar als stagiaire begon en was onder de indruk. „Marleen was hyperintelligent, ongelooflijk nieuwsgierig, onvermoeibaar, hyperambitieus”, zegt hij. „Ze is, niet helemaal ten onterechte, zeer overtuigd van haar eigen kunnen. Maar ze was niet iemand die collegiaal kon samenwerken. Ze ging voor haar eigen toko.”

In 1997 vertelde Marleen Barth haar collega’s dat ze de politiek in ging. Ze zou bij de PvdA op de lijst voor de aankomende Kamerverkiezingen komen, maar wist nog niet hoe hoog. Er ontstond discussie op de redactie: kon Barth nog functioneren als Haags verslaggever nu ze haar politieke voorkeur bekend had gemaakt? „Ik heb het voor haar opgenomen”, zegt Ten Hooven. „Tot haar kandidatuur publiek werd, zou ze moeten kunnen blijven. Ik heb haar in haar berichtgeving nooit kunnen betrappen op partijdigheid.” Barth weerspreekt de lezing van Ten Hooven maar wil verder niet op de kwestie ingaan.

Na haar vertrek hielden Ten Hooven en Barth nog een ‘verzoeningsdiner’, vertelt haar oud-collega. „Daar begon ze enorm tegen me te schelden en vingerwijzen. Toen ik ging afrekenen noemde de ober haar mijn ‘echtgenote’. Hij zag ons blijkbaar als een echtpaar in scheiding.”

Eenmaal in de Tweede Kamer werd Barth één van de PvdA-woordvoerders op onderwijs. Ze was „erg overtuigd van haar eigen standpunten”, zegt Bert Middel. Hij leidde destijds het ‘cluster’ onderwijs. „Er zaten zes vrouwen op onderwijs, onder wie Mariëtte Hamer, Sharon Dijksma en Marleen Barth, die allemaal was voorgehouden dat ze dé onderwijswoordvoerder zouden worden. Dat leidde tot vervelende discussies over posities. Concurrentie brengt niet altijd het beste in mensen naar boven en Marleen verborg haar emoties nooit”, aldus Middel.

Stevige aanvaringen

Ruzie is een terugkerend thema in de carrière van Marleen Barth. Veel oud-collega’s zeggen dat ze met enige regelmaat met haar gebotst zijn. Ook Job Cohen, die haar in 1998 overhaalde in de politiek te gaan en als PvdA-leider campagne met haar voerde bij de vorige Statenverkiezingen, beaamt dat ze „met verschillende mensen, onder wie ikzelf” stevige aanvaringen heeft gehad. „Maar daarna ging het altijd wel weer.” Barth: „Ik kan botsen met mensen. Maar ik sta ook open voor kritiek en ben nooit te beroerd mijn excuses aan te bieden”.

Barths Kamerlidmaatschap eindigde alweer na vier jaar. Ze verloor haar zetel bij de dramatische nederlaag in 2002, het ‘jaar van Fortuyn’, maar kreeg een politieke herkansing. Het jaar erop was ze lijsttrekker in de provincie Noord-Holland. Ze was daar duidelijk niet gekomen om Statenlid te worden, maar ambieerde een post als gedeputeerde. Ze won met de PvdA de verkiezingen, maar de partij werd bij de coalitievorming buitenspel gezet. „Ze voerde campagne als de mevrouw uit Den Haag die het allemaal wel wist, dat wekte weerstand bij de anderen”, zegt Bart Heller van GroenLinks, één van de vier partijen in de PvdA-loze coalitie.

Na anderhalf jaar vertrok Barth uit het Provinciehuis. Niet wegens gedoe in de fractie, zegt Tjeerd Talsma, nu PvdA-lijsttrekker in Noord-Holland – al was dat er wel. „Marleen is erg energiek en sociaal bewogen, soms tot tranen toe kwaad over onrecht, maar ze is minder goed in het overzicht houden en iedereen bij beslissingen betrekken.”

Talsma, die ook senatoren Adri Duivesteijn en Guusje ter Horst redelijk kent, kan zich wel een voorstelling maken van hoe de Kerstcrisis kon escaleren. „Het vergt groot leiderschap om dergelijke mensen zowel de ruimte te geven als zelf de regie te houden.”

Begin 2005 keerde Barth terug naar het onderwijs, als voorzitter van de lerarenvakbond CNV Onderwijs. Ze „schudde de boel op”, zeggen mensen die destijds in de top van de bond zaten. Ze sloot regiokantoren, verhuisde het hoofdkantoor en maakte een einde aan de vergadercultuur. Als haar belangrijkste verdienste wordt gezien dat ze het CNV publicitair en politiek op de kaart zette. Toch wil geen enkel lid van het toenmalige bestuur on the record over haar praten. Sterker nog, er zouden geheimhoudingsverklaringen zijn getekend over haar vertrek bij het CNV, zeggen betrokkenen. „Ze ging weg op een vervelende manier”, zegt één ex-collega, zonder verder te willen uitweiden. Zelf zegt Barth dat ze bij het CNV vertrok omdat „de balans tussen werk en privé niet meer goed was”.

Uit gesprekken blijkt dat niet iedereen in de organisatie Barths tempo kon of wilde bijbenen en dat ze intern weinig populair was. Zo werd er gegrapt dat het Schooljournaal, het tweewekelijkse blad van de bond, het ‘Marleen Barth-journaal’ was geworden omdat er steeds meer foto’s van de voorzitter in stonden. Er kwam ook nauwelijks iemand op haar afscheidsreceptie, aldus een aanwezige.

Dubbele pet

Barth verruilde de onderwijsbond voor GGZ Nederland, de branchevereniging voor de geestelijke gezondheidszorg. Daar opereerde ze als voorzitter op dezelfde manier als bij het CNV: energiek en politiek behendig naar buiten toe, hard en soms onaangenaam binnenskamers. Oud-GGZ Nederland-bestuurder Sijbren Bangma prijst haar als een „vasthoudende voorzitter, open voor overleg, met een mening over waar het naartoe moet”. Barth, zegt hij, wist de sector door een „heel moeilijke periode” te loodsen. „Het kabinet-Rutte I wilde in opdracht van de PVV de ggz afbreken, maar door goed onderhandelen heeft ze dat grotendeels weten te voorkomen.”

Tegelijkertijd kon Barth als voorzitter behoorlijk onvriendelijk zijn, vertelt Stef van Delft, een oud-GGZ Nederland-medewerker die haar meemaakte als lid van de ondernemingsraad. „Als er kritiek op haar persoonlijk kwam, kon ze heel onaangenaam worden. Dan straalde ze tijdens zo’n OR-vergadering uit: ik ben de baas en wat zijn dit voor minkukels met wie ik hier te maken heb?” Als iets Barth typeert, zegt Van Delft, is het wel dat ze een enorme bluffer is. „Bluffen en de ander de mond proberen te snoeren, dat is de tactiek die ze vaak toepast.”

Als voorbeeld noemt hij een discussie in de OR over het ‘dubbele pettenprobleem’ van Barth: in 2011 was ze naast GGZ-baas ook PvdA-fractieleider in de Eerste Kamer geworden. Dat wrong, vonden veel mensen, omdat ze als fractieleider ook moest besluiten over hervormingen en bezuinigingen in haar eigen sector. Van Delft: „In het jaarverslag stond niets over het ziekteverzuim in onze organisatie, maar wel dat Barth haar GGZ-baan en de politiek zo geweldig kon combineren. Ik zei tegen haar: ‘Dat is niet iets om trots op te zijn, want je hebt een dubbele pet op.’ Toen was ze enorm in haar kuif gepikt. ‘Ik heb wel zeventien petten op!’, zei ze.”

In deze krant zei Barth iets anders: die twee banen begonnen „eigenlijk al meteen te schuren” toen ze senator werd. Toch duurde het ruim twee jaar voordat ze haar baan bij GGZ Nederland opzegde. Een functie die haar ook binnen de PvdA in opspraak bracht toen bleek dat ze zich bij GGZ voor 840 euro per dag (excl. BTW) liet inhuren.

Enorme passie

Barth keerde vier jaar geleden terug in de politiek omdat ze naar eigen zeggen „een enorme passie” voelde om zich in te zetten voor de publieke zaak. Makkelijk was de klus niet die ze op zich nam. „We zijn een fractie van goed opgeleide, goedgebekte mensen, en die laten zich niet zo makkelijk managen”, zegt Marijke Linthorst, één van de drie senatoren die in december tegen de zorgwet stemden. „Iedereen vindt dat de boel strak geleid moet worden, behalve als het henzelf betreft.”

De veertienkoppige Eerste Kamerfractie waarmee Barth in 2011 aan de slag ging, was bovendien volgestopt met eigenzinnige types om keihard oppositie te voeren tegen het kabinet-Rutte I. Toen de PvdA na anderhalf jaar plots zelf weer ging regeren, moesten zij omschakelen: van tegenstander tot steunpilaar van een kabinet dat het beleid van Rutte I deels voortzette. „Niet iedereen in mijn fractie is in staat geweest die realiteit te accepteren”, zegt Barth met enig gevoel voor understatement.

Het gevolg is paradoxaal: terwijl senatoren als Tiny Kox (SP) zeggen dat Barth haar fractie „niet zo veel ruimte geeft” en „te veel aan de leiband van de regering” loopt, wijzen anderen in de Eerste Kamer er juist op dat Barth haar eigenwijze senatoren juist niet in de hand heeft. „Ik kan ze geen pistool op het hoofd zetten en zeggen: je móet voorstemmen. Sterker nog, bij een aantal van hen zou dat contraproductief werken” zegt Barth.

Inderdaad ging het een aantal keer mis, of bijna. Zo dreigde Adri Duivesteijn eind 2013 het woonakkoord van minister Blok (VVD) af te schieten. En er was de de pijnlijke vertoning van de voorzittersverkiezing in de Eerste Kamer. De fractie was intern verdeeld over de eigen gegadigde, waardoor er uiteindelijk twee PvdA-kandidaten waren: Marijke Linthorst en Guusje ter Horst. Daardoor werd VVD’er Ankie Broekers-Knol gekozen tot senaatsvoorzitter.

Dreigende muiterij

In het wekelijkse overleg van de PvdA-bewindslieden waarschuwde Barth de afgelopen jaren vaak voor dreigende muiterij in haar fractie. Zó vaak, dat haar waarschuwingen op den duur niet altijd serieus meer werden genomen. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de PvdA-top pas zo laat doorkreeg dat het de drie dissidenten bij Schippers’ zorgwet menens was. Met grote politieke schade als gevolg.

Binnen de PvdA leefden al voor de Kerstcrisis twijfels over Barths gezag in de fractie. „Er is een evaluatie met haar gedaan van de afgelopen vier jaar, en haar enige zwakke punt was het leidinggeven”, zegt Elske ter Veld, voorzitter van de kandidatencommissie voor de senaat. Toch meldden zich geen tegenkandidaten om lijsttrekker te worden. „Kennelijk vond de partijtop het goed genoeg dat zij de enige kandidaat was”, zegt Ter Veld.

Barth zelf zit „vol met motivatie” om campagne te gaan voeren. Van twijfels over haar leiderschap wil ze niets weten. Het was moeilijk, ze heeft fouten gemaakt – allemaal waar. „Maar volgens mij is de partij best blij met me”.