Du pain, du vin, du Bastiaansen

Nederland is een kaasland, maar niet op de kaasplank. Janneke Vreugdenhil kiest Nederlandse kaas, de bijpassende wijn wordt geschonken door Harold Hamersma.

Nederlandse kazen zijn wereldberoemd. Amerikanen, Japanners, Russen, Duitsers, ze kunnen er geen genoeg van krijgen. In Nederland eten we onze kaas vooral op de boterham, of in een maaltijd, en voornamelijk de wat doorsnee, grootschalig geproduceerde kaas. Zodra het gaat over ‘een lekker kaasje’ bij een glas wijn, kiezen we al snel voor buitenlandse kazen. Franse bijvoorbeeld, of Italiaanse. Terwijl in ons land zoveel bijzondere kazen worden gemaakt. Kazen die het verdienen om aandachtig geproefd te worden.

De vraag is: wat drinken we erbij? Welke fles komt er op de borreltafel? Harold Hamersma spreekt in dit verband over het ‘grote kaasplankmisverstand’. „Bekijk ik de achterkant van een fles rode wijn dan lees ik daar maar al te vaak dat de inhoud lekker is bij ‘kaas’.” Maar zo maakt de achteretikettenscribent zich er wel heel makkelijk vanaf, vindt hij. Zo’n dienstmededeling roept altijd meer vragen op dan antwoorden. Want welke kaas zou er bedoeld worden? Geit, schaap of koe? Hard of zacht? Witschimmel, roodschimmel of blauwader? Jong, belegen of oud?

„Welbeschouwd is er geen lastiger wijnklant dan kaas.” Sterker nog, ieder type wenst zijn eigen soort. Nota bene vaker wit dan rood.

Neem bijvoorbeeld een kakelvers Loire geitenkaasje. Dat heeft echt niets in te brengen tegen een tannineuze rode reus uit Bordeaux. Zo’n geitje maak je echt blijer met een witte, net zo dartele sauvignon blanc uit zijn eigen postcodegebied. Een ding is zeker: wie een aantal verschillende kazen serveert en er één wijn bij schenkt, „slaat de kaasplank mis”. Liever kiest hij één kaas met een bijpassende wijn.

Wilt u toch een kaasplankje? Dan adviseert Hamersma droge Champagne: dat smaakt bij bijna alle kazen.