Doctor Laurens

Georgina Verbaan

Hij heeft in zijn loopbaan al meerdere koffiekopjes, telefoons, wijnglazen en porseleinen beeldjes van slakken met hoedjes op kapot gesmeten. Ik lieg, het was maar één porseleinen beeldje van een slak met een hoedje op, maar als hij meerdere van deze unieke vondsten tot zijn beschikking had gehad, ben ik er zeker van dat hen eenzelfde lot ten deel zou zijn gevallen.

Hij is mijn kat, Doctor Laurens.

Al zeventien jaar zo doof als een blok kaas. Zijn mooie witte vacht is een oude jas geworden. Soms ligt hij dagen op zijn bank (ik heb de illusie dat ik iets bezit in ‘mijn’ huis al lang geleden opgegeven en dat geeft rust).

Wanneer hij naar zijn waterbakje loopt is het net een smotsige reiger. Dat waterbakje drinkt hij dan in een paar minuten nagenoeg leeg. Zijn nieren doen het niet goed meer, en zo spoelt hij toch de gifstoffen uit zijn lijf. Dat heeft de dierenarts me verteld, terwijl ze ons dieetvoer aansmeerde dat qua prijs in staat zou moeten zijn een middelgroot Afrikaans dorp te voeden en op te leiden, met bioscoopbonnen toe.

Hij zou nog maar 25 procent van zijn nieren gebruiken en niet veel langer dan een paar maanden te leven hebben. Hooguit een half jaar, ik moest me maar voorbereiden op een afscheid. Dat was een jaar geleden.

Meneer heeft ook zijn goede dagen. Op die dagen zeurt hij onophoudelijk om eten. Omdat hij doof is miauwt hij als een huilende baby, met zijn poot mikt hij dan dingen van tafel. Bezoek stel ik altijd even op de hoogte van zijn aanvechting tot destructie, wanneer zij hun telefoon neerleggen. Dat dure dieetvoer blieft hij niet. Hij eet het wel, maar niet van harte. Hij ‘mag’ het niet maar toch geef ik hem elke dag een klein bakje vlees. Brokjes in saus, wordt hij blij van. Ik heb voor mijn eigen gemoedsrust weleens geprobeerd hem biologisch kattenvoer te geven, maar dan blijft hij misprijzend naast het bakje zitten huilen. Hij heeft een ordinaire smaak. Wil alleen de cupjes van de reclame met de sjieke gekamde poes op glimmend satijn. Want als mijn kat een mens was dan at hij stiekem in de koffietent van Gordon.

We zijn al samen sinds ik als bange tiener in Amsterdam kwam wonen. Niet alleen, dankzij hem. Hij is er nog. Nog wel. Mijn huis begint naar hem te ruiken. Dat is wel een beetje jammer, maar het is niet anders.