Die aanslagplegers hadden dezelfde waan die ik als tiener voelde

Extremisten denken dat ze hebben gewonnen als ze de boodschapper aanvallen. Maar de enige manier om woede te overwinnen is door te begrijpen waar haar wortels liggen, schrijft Abdelkader Benali.

Illustratie Hajo
Illustratie Hajo

Er knapte iets. Ik was dertien jaar en droomde van boeken en meisjes en verder niets – een gezonde Nederlandse jongen met een Marokkaanse achtergrond die zorgeloos door het leven ging. Toen gebeurde er iets waardoor ik me anders dan de anderen voelde. Op een dag kwam bij geschiedenis de fatwa tegen Salman Rushdie ter sprake. Onze leraar begon over de vrijheid van meningsuiting; ik begon over de belediging van de Profeet. Er viel een ongemakkelijke stilte. Waar had die Abdelkader het over? Fatwát?

Maar onze leraar, meneer Fok, begreep mij. Hij stelde dat die fatwa onzinnig was. Hoe kon iemand nu beledigd worden door een roman? Hoe kon iemand nu de doodstraf krijgen omdat hij zijn verbeelding gebruikte?

Ik weet nog dat ik opstond en met overslaande stem probeerde te betogen hoe heilig de Profeet voor mij en mijn gemeenschap was. En hoe meer meneer Fok met een koele, rationele analyse reageerde, hoe bozer ik werd. Snapte hij dan niet dat dit om meer ging dan de rede en het gezond verstand? Snapte hij dan niet dat het een morele misdaad was om de spot met de Profeet te drijven?

Mijn klasgenoten keken me aan alsof ik gek was. Inmiddels stond ik het uit te schreeuwen. Ik had nog nooit zo’n woede gevoeld. Dit ging niet over een roman, dit ging over mij. Over ons. Ik wilde wraak. Meneer Fok keek me alleen maar aan, verbaasd over mijn driftbui en enigszins geërgerd, en stuurde me de klas uit.

Voor het eerst van mijn leven voelde ik wat het betekende om moslim te zijn. Zo wilde ik me niet voelen. Ik wilde in mijn klas opgaan, even normaal als de andere kinderen lijken. Toen de frustratie en woede waren gezakt, voelde ik schaamte – omdat ik mijn geloof, mijn familie, mezelf in de steek had gelaten. Schaamte voor een woede die ik niet begreep.

Ik ben opgegroeid in een vrij traditioneel Marokkaans gezin. We hielden ons aan de ramadan, maar mijn vader ging zelden naar de moskee. We hadden twee boeken in huis: de Koran en het telefoonboek. Geen van beide keken we ooit in.

We praatten niet veel over de fatwa, maar we konden er onmogelijk omheen. In Rotterdam gingen moslims de straat op. Voor het eerst voelden we ons beschouwd als onderdeel van een gemeenschap die vragen moest beantwoorden: aan welke kant sta jij? Waarom ben je beledigd? Waar komt die woede vandaan? Gaat de islam wel samen met de westerse waarden?

De wereld hield mij steeds weer voor dat ik moslim was. Mijn naam, mijn achtergrond, mijn kleur, mijn familie en de gebeurtenissen in de wereld leidden allemaal tot meer zelfonderzoek.

De islam leerde mij dat er maar één God is en dat de Profeet zijn boodschapper is. Houdt u aan de vijf zuilen en alles komt goed. Maar wij woonden niet in een moslimland. En ik was geen Nederlander, en ook niet seculier. Ik moest een manier vinden om mijn religieuze achtergrond met een seculiere wereld te verzoenen. Ik voelde me verweesd. En dat dilemma is veel moeilijker op te lossen in een seculiere samenleving die totaal niet meer met deze grote vraagstukken lijkt te worstelen.

Uiteindelijk vond ik de antwoorden niet in de heilige teksten. Ik vond ze in de literatuur.

Ik las De gedaanteverwisseling van Kafka en De pest van Camus. Ik dacht terug aan mijn jeugdige uithaal naar De duivelsverzen. Ik herinnerde me dat ik een boekhandel binnensloop en daar stapels van het boek klaar zag liggen om gelezen te worden, maar dat ik onvoldoende Engels kende om het te begrijpen. Het boek wees mij af; de nieuwsgierigheid bleef.

Toen ik zeventien was, vond ik De duivelsverzen weggestopt in een schoolbibliotheek. Ik pakte het en begon gebiologeerd te lezen. Ik zag een jongeman die worstelde met zijn geloof in een ongelovige wereld – een immigrantenzoon van diep religieuze huize die belandt in een wereld waarin alles wordt omarmd en niets heilig is. Het bevestigde wat ik diep van binnen had gevoeld: een vrije, open samenleving is voor religieuze mensen een bedreiging. Hun religie wordt bespot – soms zelfs onderdrukt – en dit roept woede op.

En nu gebeurt dit weer. De opkomst van extremisten die jonge moslims in het Westen lokken met visioenen van een islamitisch utopia, vervult de Europese moslims met walging. Jongens en meisjes verlaten het gezin en worden tot moordmachines omgevormd. Ze vertrekken niet uit Bagdad maar uit Brussel en Den Haag. Wij houden vol dat dit niet onze islam kan zijn en als dit wel de islam is, dat wij die dan niet willen. Maar ik weet uit eigen ervaring dat de lokroep van het extremisme heel sterk kan zijn als je opgroeit in een wereld waarin het lijkt of de media en alle mensen om je heen je bespotten en je cultuur beledigen.

En de Europese regeringen helpen niet het extremisme te bestrijden door toe te geven aan de islamofobie die wordt opgeklopt door rechtse populisten. Ik zie een gebrek aan moed om de moslims van Europa als werkelijk Europees te omarmen – als burgers net als ieder ander.

Een van de eersten die de terroristen in Parijs vermoordden was een van de onzen: Mustapha Ourrad, een redacteur van Charlie Hebdo, geboren in Algerije. Daarna vermoordden ze nog een moslim, de politieagent Ahmed Merabet. De moordenaars hadden geen genade met hen. In naam van de islam vermoordden ze moslims. En telkens als een Europese moslim dat beeld ziet van de laatste ogenblikken van Merabet, ziet hij daar, op die koude stoep, zichzelf liggen. Hulpeloos. En dan is de volgende vraag: wat zeg ik morgen op mijn werk of op school?

Wat er vorige week is gebeurd, gaat niet om een gebrek aan humor of onvermogen om een spotprent te begrijpen. Ook gaat het niet om haat tegen het Westen. Het gaat om woede die ontspoort.

Wat ons menselijk en creatief maakt, is onze twijfel. Maar twijfel als zodanig kan ook tot woede en fundamentalisme uitgroeien.

Zoals de Franse schrijver Michel Houellebecq in een interview zei: „Mensen kunnen niet zonder God leven. Dan wordt het leven ondraaglijk.” De terroristen vonden hun God in een goddeloze samenleving. Charlie Hebdo bespotte hun God door hem tot niet meer dan een cartoon te verklaren. Ze kwamen hun God redden en lieten twaalf doden achter. Ze vielen ten prooi aan een krachtige waan.

Dat was dezelfde waan die ik als tiener voelde: dat je woede zal verdwijnen en je gewonnen hebt als je de boodschapper aanvalt. Maar de enige manier om je woede te overwinnen is door te begrijpen waar haar wortels liggen. Het bevrijdende voor mij was de vrijheid om te twijfelen, geen partij te kiezen en me in te leven in personages en personen met wie ik het niet eens ben. Ik omarm nog altijd mijn islamitische achtergrond, maar zonder het dogma, de repressie en de strenge naleving van het ritueel.

Sinds 11 september 2001 twijfelen ook heel veel Europese moslims waar ze bij horen. Horen ze bij het Parijs van Voltaire of het Mekka van Mohammed? Dat is de verkeerde vraag. De moslims zijn net zo Europees als de Roma, homoseksuelen, intellectuelen, boeren en fabrieksarbeiders.

Wij zijn al eeuwen in Europa en politici en pers moeten eens ophouden te doen alsof wij gisteren zijn aangekomen. We zijn hier en we blijven hier.