De jongens uit de wijk van Coulibaly schoten als eersten op de politie

Een woonwijk waar je bovengemiddeld prettig kon wonen, zo werd La Grande Borne ooit ontworpen. Maar het werd een getto, een cocon voor criminaliteit. Nu kennen we het als de wijk waar terrorist Amedy Coulibaly opgroeide.

De binnentuinen van La Grande Borne, ooit bedoeld voor spelende kinderen, zijn nu crimineel terrein. Want geen politieauto kan er ooit komen. Foto Benjamin Girette/IP3 PRESS
De binnentuinen van La Grande Borne, ooit bedoeld voor spelende kinderen, zijn nu crimineel terrein. Want geen politieauto kan er ooit komen. Foto Benjamin Girette/IP3 PRESS

Met miljoenen gingen de Fransen de straat op om hun geloof in de verheven waarden van de Republiek uit te dragen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap voor iedereen die mee wil doen aan het-idee-dat-Frankrijk-is. Maar dat warme gevoel van eenheid ging aan Grigny voorbij.

„Nee, ik ken niemand die naar Parijs is geweest voor de mars”, bekent de 17-jarige Farid op de wekelijkse markt tussen de aftandse betonconstructies van probleemwijk La Grande Borne. Parijs ligt slechts 25 kilometer noordwaarts, maar voelt hier nauwelijks dichterbij dan Berlijn of Algiers. „Het zou ook raar zijn”, lacht Farid. „Nooit heeft Frankrijk veel belangstelling voor ons gehad en nu moeten wij opeens zeggen dat iedereen gelijk is?”

Je suis Charlie? Niet hier. Tijdens de minuut stilte moesten leerlingen op de middelbare school in La Grande Borne hardop lachen, volgens Franse kranten. Sommige jongeren zeggen provocerend of besmuikt zich meer te identificeren met de terroristen Coulibaly of Kouachi-broers dan met ‘Charlie’. De komiek Dieudonné – „Je suis Charlie Coulibaly” – zei dat ook en wordt vervolgd. Hij is populair hier. Zijn antisemitische grappen en complottheorieën over Joden die overal aan de knoppen zitten, vinden enthousiast weerklank.

„Niemand houdt van het geweld dat we hebben gezien. Dat valt niet goed te praten, en zeker niet als moslim”, zegt Farid desondanks. Hij begint een verhaal waarin „gebroken beloftes”, „werkloosheid” en „racisme” de sleutelwoorden zijn. En dan: „Stelt iemand zich misschien nog de vraag waar zo’n mislukte jeugd van Coulibaly vandaan komt?”

Oukbi werd thaibokser, terwijl zijn vriend Amedy radicaliseerde

Dat sentiment leeft op meer plaatsen in de Parijse banlieue. Maar in La Grande Borne, een van de armste wijken van Frankrijk, heeft de bevolking recht van spreken. Hier groeide begin jaren tachtig in een gezin met negen zussen Amedy Coulibaly op, de man die daags na het bloedbad bij Charlie Hebdo een politieagente om het leven bracht en de volgende dag vier gijzelaars executeerde in een kosjere supermarkt bij Porte de Vincennes.

„Amedy is zijn carrière hier begonnen”, zegt jeugdvriend Kouider Oukbi (34). Hij is twee jaar ouder dan Coulibaly, ze waren jaren buren. „Een aardige jongen”, herinnert Oukbi zich in een kebabrestaurant. Hij praat met tegenzin omdat hij niet „als advocaat” van een terrorist wil overkomen. „Je kunt niet aan iemands voorhoofd zien of hij crimineel wordt”, zegt hij ter verdediging.

De twee speelden samen op de binnenpleinen tussen de meanderende flatgebouwen, totdat Oukbi als tiener besloot dat hij de beste thaibokser van de wereld wilde worden. „Terwijl ik hele dagen in de sportschool doorbracht, begon Amedy zijn eerste kleine misdaden”, zegt hij.

Als Oukbi, in het dagelijks leven IT-ingenieur, in 2007 bokskampioen van Frankrijk wordt, verblijft Coulibaly al enkele jaren in de beruchte gevangenis van Fleury-Mérogis, de grootste van Europa. Het is „de beste leerschool voor de criminaliteit”, zei hij in die tijd in een documentaire van de Franse tv.

In 2012 zit Coulibaly alweer een paar jaar vast voor hulp bij een uitbraakpoging van een Franse Algerijn, die is veroordeeld voor een reeks bomaanslagen in Parijs. Hij is volgens de reconstructies van de Franse politie dan al lang „geradicaliseerd” en heeft de broers Kouachi ontmoet. Kouider Oukbi wordt datzelfde jaar wereldkampioen thaiboksen.

Als je Grigny op je cv had staan, kon je het wel vergeten

Ik bezocht La Grande Borne voor het eerst in 2013. Op een zaterdagavond was een groep jongeren een coupé van een trein binnengevallen. Een handvol passagiers werd beroofd. Het was ‘Wild West’, kopten de Franse kranten een paar dagen lang. Maar het incident was gauw vergeten.

Op een van de vele vervallen binnenpleintjes ontmoette ik een viertal jongens die weinig geïnspireerd tegen een bal trapten. Ze kenden de daders, zeiden ze. De overval was voortgekomen uit verveling. En omdat je nu eenmaal geld nodig had om op zaterdagavond uit te gaan.

De jongens zaten niet meer op school en werk vinden lukte ook niet echt. „Als je Grigny op je cv hebt staan, dan kun je het wel vergeten”, zei een van hen. Hij had, net als Coulibaly trouwens, een paar maanden in de nabije Coca Cola-fabriek gewerkt, maar uit vrees voor de strenge Franse arbeidswetten nam het bedrijf haast niemand in vaste dienst. Hij vergeleek de situatie met Koh-Lanta, de Franse versie van de realityserie Survivor: „We zitten vast op een eiland en we moeten zien te overleven.”

Een raar voorgevoel, toen Amedy opeens weer langskwam

Ik liet me die dagen rondleiden door de ondanks alles optimistische De-Charles Claude Aka. Deze omvangrijke Ivoriaan met rastahaar bestierde een organisatie waar immigranten Frans kunnen leren en hulp krijgen bij het invullen van formulieren.

Het stempel ‘getto’, dat de wetenschapper Didier Lapeyronnie eerder op wijken als La Grande Borne plakte, wilde Aka niet horen. Lapeyronnie beschreef de wijken als „tegelijk een gevangenis en een cocon”: armoede, segregatie en marginalisatie, maar grote interne verbondenheid in hun verzet tegen de rest van Frankrijk en de dominante cultuur. „De jongens die zo klagen zijn juist hartstikke goed geïntegreerd”, zei Aka verontwaardigd. „Wat is er Franser dan klagen?”

En ja, het klopte dat pakketbezorger UPS niet meer de wijk in durfde uit angst voor berovingen. Ook huisartsen en ambulances vertikten het La Grande Borne te bedienen. Maar Aka toonde me het postkantoor. „Hier functioneert de republiek naar behoren”, zei hij vrolijk op mijn bezorgde vragen. Hij kocht een krantje bij de belendende Tabac en toonde me een nieuw wijkgebouw voor naschoolse activiteiten. „De mensen moeten de kans krijgen iets van hun leven te maken”, zei hij. „Dan komt het goed.”

De jongens van destijds kon ik deze week niet vinden. Ik werd op het pleintje opgewacht door een groepje drugsdealers, de hoofden diep in capuchontruien gestoken. Op de straathoeken rond de markt hielden zij in de gaten wie de wijk binnenkwam. „Ken je de regels niet?” vroeg een van hen. „Dit is onze wijk en jij hebt hier niets te zoeken.”

Het postkantoor bleek „tot nader order” gesloten. Na de zoveelste overval had vorig jaar ook de krantenman annex sigarettenboer er de brui aan gegeven. Bij het wijkgebouw dat aan de sociale cohesie moest bijdragen waren de rolluiken naar beneden.

De crisis had de fragiele toestand nog eens verslechterd. Het gemiddelde inkomen lag afgelopen jaar volgens cijfers van de gemeente in La Grande Borne op 10.763 euro per huishouden. De werkloosheid ligt boven de 20 procent.

De-Charles Claude Aka bestierde nog steeds zijn taalbureautje, maar ik trof hem in mineur. Hij bleek jaren terug als maatschappelijk werker Amedy Coulibaly te hebben begeleid. Hij voelde zich schuldig. „Hij was twaalf toen ik hem leerde kennen en zestien toen de regelmatige afspraken stopten. Hij was een probleemjongen, veel spijbelen, altijd provoceren”, zei Aka. „Maar vorig jaar kwam hij opeens weer langs. Ik wist niet dat hij net uit de gevangenis was, maar ik had een raar voorgevoel nadat ik hem zo lang niet gezien had. Hij zocht blijkbaar een luisterend oor. Dat heb ik geboden. Maar ik heb blijkbaar niet de juiste vragen gesteld.”

Aka zei „dit soort jongens” dagelijks te ontmoeten. „Er is te weinig geld om ze echt te blijven volgen in hun ontwikkeling. Als radicale geloofsverspreiders wél die inspiratie bieden, dan zijn we ze kwijt.” Ook Aka maakte zich nu zorgen over het steeds slechtere imago van de buurt. „Ik bouw aan sociale cohesie hier, maar de afstand met de rest van Frankrijk wordt zo alleen maar groter.”

De wijk werd juist ontworpen alsreactie op eenvormige flats

La Grande Borne, gebouwd tussen 1967 en 1971, is het geesteskind van architect Emile Aillaud. De wijk, door de Autoroute du Soleil afgesneden van de rest van Grigny, „breekt in zijn originaliteit met de monotonie van de bouwwerken van de tijd”, schrijft socioloog Sylvain Taboury in een korte wijkgeschiedenis.

De ‘organisch’ gevormde flats zijn veel lager dan gebruikelijk was, ze hebben slechts twee of drie etages, en waren voorzien van moderne snufjes als centrale verwarming. Al het motorverkeer is om de driehoek van ongeveer 3.500 (sociale) woningen heengeleid, zodat in de uitgestrekte binnentuinen zonder gevaar gespeeld kan worden. ‘Cité des enfants’, noemde Aillaud zijn project.

Dat bleek een utopie. „In het begin, toen de meeste mensen nog werk hadden, was het nog rustig”, zegt de 75-jarige Marie-Thérèse Thobois, die in 1968 hier als een van de eersten kwam wonen. Ze laat het ruime appartement zien waar ze haar vijf kinderen grootbracht terwijl ze in Parijs in een lingeriewinkel werkte. „De verpaupering sloeg toe toen mensen uit krottenwijken hier woningen kregen. Veel Fransen gingen weg omdat voorzieningen ontbraken”, herinnert ze zich.

Door de bouw van de huizen werd het bovendien wel heel makkelijk voor kleine criminelen om aan de politie te ontkomen: zij konden zo de binnentuinen inrennen. Geen politieauto kan daar komen. Dat is waar de drugsdealers zich nu ophouden. „Ik heb die jongens allemaal zien opgroeien”, zegt mevrouw Thobois. „Terwijl mijn kinderen in bed lagen, speelden zij tot elf uur op straat. Geen ouder die naar ze omkeek.”

Het was een mooi idee, onze wijk. Maar een idee is niet genoeg

Nick la police’ (fuck de politie) staat op de muur tegenover de woning van mevrouw Thobois. Toen in 2005 in heel Frankrijk jongeren in de banlieue een spoor van geweld en vernieling achter zich lieten, had La Grande Borne een kleine primeur, vertelt ze aan de keukentafel. „Hier schoten ze voor het eerst op de politie”, schaterlacht ze. „Het was een mooi idee, onze wijk. Maar een mooi idee is niet genoeg.”

Het waren de rellen van 2005 – mevrouw Thobois bleef maar even binnen – die Frankrijk wakker schudden. Te lang waren de flatwijken rond de grote steden verwaarloosd. Er was te veel achterstallig onderhoud. Niet voor het eerst ging ook La Grande Borne weer op de schop. Woningen werden opgeknapt, het openbaar vervoer werd verbeterd en er kwamen nieuwe scholen en wijkgebouwen. Maar alles bleef in de geest van architect Aillauds ‘kinderstad’.

Nu werkt de gemeente Grigny aan rigoureuzere maatregelen. Er komt een weg dwars door de binnentuinen om de sociale controle te vergroten, laat gemeenteambtenaar Léa Znaty, belast met stedelijke ontwikkeling, zien op een kleurrijke plattegrond. En er wordt gebouwd aan een bredere brug over de snelweg. Alles om de wijk „uit zijn isolement te halen”, zegt ze.

Als er problemen zijn, komt tegenwoordig meteen de ME

Maar de architectuur is natuurlijk niet het enige probleem, vult wethouder Yveline Le Briand aan; ze is lid van de hier oppermachtige communistische partij. Volgens Le Briand heeft Frankrijk „weinig geleerd” van de crisis in 2005. Dat onder president Nicolas Sarkozy de wijkpolitie is afgeschaft is „onvergeeflijk”, zegt ze. „Als er problemen zijn, dan komt alleen nog de ME in vol ornaat als robocops binnen. Vind je het dan gek dat ze vijandig tegenover de Franse staat staan?” Meer geld is nodig om de boel niet „opnieuw tot ontploffen te brengen”.

Sinds 2005, zegt essayiste en racismebestrijder Rokhaya Diallo, heeft Frankrijk „vooral buitengewoon veel gedebatteerd”. Maar de kloof tussen de banlieue en de rest van het land is alleen maar groter geworden.

Ze wijst op het hoofddoekverbod op scholen en het verbod op gezichtsbedekkende sluiers in de openbare ruimte, ingevoerd door Sarkozy, met steun van de huidige premier Manuel Valls. „Frankrijk erkent een deel van zijn eigen kinderen niet, allicht dat die zich tegen het land keren”, zegt ze over de druk om in de republiek op te gaan, om te assimileren. „Iedereen die het rond die jihadisten over de islam heeft, zeg ik maar één ding: dit is een volledig Frans probleem.”