Broeders,bid voor mij

Sinds 2002 wordt Mohamedou Ould Slahi (44) vastgehouden op Guantánamo Bay. Berecht werd hij nooit. Het lukte hem een boek uit te brengen – maar wel gecensureerd.

tekst Mohamedou Ould Slahi en Larry Siems

foto Paolo Pellegrin / hollandse hoogte

De bewakers die me moesten escorteren verschenen bij mijn cel. ‘Je moet ergens anders heen.’ ‘Waarheen?’ ‘Dat is niet jouw probleem,’ zei de hatelijke ■■■ -bewaker. Maar erg slim was hij niet, want mijn bestemming stond op zijn handschoen geschreven.

‘Broeders, bid voor mij, ik word overgeplaatst.’ ■■■■■■■■■■ was intussen gereserveerd voor de gevangenen die in het kamp als de grootste kwaaddoeners golden; als iemand ■■■■■■■■ werd overgeplaatst,moesten er vele handtekeningen zijn gezet, misschien zelfs door de president van de VS. De enige mensen van wie ik wist dat ze enige tijd ■■■■■■■■ hadden gezeten omdat het voor marteling was ontworpen, waren gedetineerden uit Koeweit en een andere medegevangene uit ■■■■.

Toen ik het cellenblok betrad viel er geen teken van leven te bekennen. Ik werd aan het einde van het cellenblok ondergebracht en de man uit Jemen zat helemaal aan het begin, dus van een noemenswaardige interactie tussen ons was geen sprake. ■■■■■■■■■■ werd in het midden geplaatst, eveneens zonder mogelijkheid tot contact. Later werden beiden overgeplaatst en was het hele cellenblok alleen voor mij gereserveerd, alleen voor mij, Allah, ■■■■■■■ en de bewakers die voor hen werkten. Ik was volkomen overgeleverd aan de ■■■■■■■■■ genade, en er was weinig genade.

In het cellenblok werd er begonnen met de nieuwe aanpak. Mij werd elke vorm van comfort ontzegd, met uitzondering van een dunne isolatiemat en een zeer dun, tot op de draad versleten dekentje. De boeken die ik bezat werden me afgenomen, mijn Koran, mijn zeep, mijn tandenborstel en de rol toiletpapier die ik had. De cel – beter gezegd: de kooi – werd zo koud gemaakt dat ik het grootste deel van de tijd bibberde. Mij werd het daglicht ontzegd; af en toe mocht ik, om te voorkomen dat ik contact met andere gevangenen zou hebben, ’s nachts even luchten. Ik leefde letterlijk in de verschrikking. De volgende zeventig dagen zou ik de zoetheid van de slaap moeten ontberen: vierentwintig uur per dag ondervraging door drie en soms vier ploegen per dag. Slechts zelden werd ik een dag met rust gelaten. Ik herinner me niet één nacht rustig te hebben geslapen. ‘Als je gaat meewerken zul je wat slaap krijgen en warme maaltijden,’ zei ■■■■■■ me herhaaldelijk.

Binnen enkele dagen na mijn overplaatsing, kwam ■■■■■■ van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) naar mijn cel met de vraag of ik een brief wilde schrijven. ‘Ja!’ zei ik. ■■■■■■ gaf me een vel papier en ik schreef: ‘Mama, ik hou van je, ik wilde je gewoon laten weten dat ik van je hou!’ Na dat bezoek zag ik meer dan een jaar niemand meer van het ICRC. Ze probeerden het wel, maar tevergeefs.

‘U begint mij te martelen, maar u weet niet hoeveel ik kan verdragen. Dat zou er toe kunnen leiden dat u me vermoordt,’ zei ik toen ■■■■■■ en ■■■■■ me voor verhoor hadden laten halen.

‘Wij doen aanbevelingen, maar het uiteindelijke besluit is niet aan ons,’ zei ■■■■■.

‘Ik wil u alleen maar waarschuwen: ik lijd hevig onder de zware omstandigheden waaraan u mij onderwerpt. Ik heb al een ischiasaanval gehad. En foltering zal mijn bereidheid om mee te werken niet vergroten.’

‘De ervaring leert dat je dat wel zult doen. Wij zijn sterker dan jij, en we beschikken over meer mogelijkheden,’ zei ■■■■■. ■■■■■ wilde niet dat ik zijn naam zou kennen, maar hij werd verraden toen een van zijn collega’s hem per ongeluk bij zijn naam noemde. Hij weet niet dat ik zijn naam ken, maar dat is dus wel zo.

■■■■■ werd met elke dag die verstreek vijandiger. Hij begon met het uiteenzetten van mijn zaak. Hij vertelde het verhaal van ■■■■, en dat ik hem zou hebben gerekruteerd voor de aanslag van 11 september.

‘Waarom zou hij ons iets voorliegen?’ vroeg ■■■■■■.

‘Ik weet het niet.’

‘Wat jij alleen maar kunt zeggen is: „Ik herinner het me niet, ik weet het niet, ik heb niets gedaan.” Denk je met die woorden indruk te kunnen maken op een Amerikaanse jury? In de ogen van de Amerikanen ben jij verdoemd. Eén blik op jou in je oranje overall, met je ketens en het feit dat je moslim en Arabier bent, is genoeg om je te veroordelen,’ zei ■■■■■.

‘Dat is onrechtvaardig!’

‘Wij weten dat je een crimineel bent.’

‘Wat heb ik gedaan?’

‘Zeg jij het maar, dan zullen we je veroordeling tot dertig jaar terugbrengen, waarna je een kans hebt weer een leven te leiden. Blijven weigeren betekent dat je nooit meer daglicht zult zien. Als je niet meewerkt, stoppen we je in een gat en wissen we je naam uit ons gevangenenbestand.’ Ik was zo bang omdat ik wist dat hoewel hij een dergelijk beslissing niet op eigen houtje kon nemen, hij de volledige steun genoot van een hoog overheidsniveau. Hij vertelde geen sprookjes.

‘Het kan me niet schelen waar jullie me naartoe brengen, doe het gewoon.’

Tijdens een andere sessie toen hij met me sprak ■■■■■■■■■■■■ ■■■■■■ ■■■■■■■■■■■■■■■. ‘Wat bedoel je godverdomme, thee of suiker?’

‘Ik bedoelde gewoon wat ik zei, ik gebruikte geen codetaal.’

‘Val dood!’ zei ■■■■■■. Ik besloot mezelf niet tot zijn niveau te verlagen, en dus gaf ik hem geen antwoord. Toen ik in gebreke bleef met het geven van het antwoord dat hij wilde horen, liet hij me opstaan, met gebogen rug omdat mijn handen aan mijn voeten, mijn middel en de vloer waren geketend. ■■■■■■ draaide de temperatuur helemaal omlaag en hij instrueerde de bewakers dat ik in die houding en situatie moest blijven tot hij anders zou beslissen. Hij maakte altijd een hoop ophef vóór hij ging lunchen, om mij in die pijnlijke toestand te laten gedurende zijn lunch, die minstens twee tot drie uur duurde. ■■■■■■ hield van eten; hij sloeg nooit een lunch over. Ik vroeg me altijd af hoe ■■■■■■ door de fitheidstest van het leger heen had kunnen komen. Maar ik besefte dat hij in het leger zat om een reden: hij was onovertroffen in onmenselijkheid.

‘Waarom zit jij in de gevangenis?’ vroeg hij.

‘Omdat uw land onrechtvaardig is, en mijn land me niet beschermt?’

‘Nu beweer je dat wij Amerikanen alleen maar uit zijn op uitgemergelde Arabieren,’ zei hij. Af en toe kwam ■■■■■■■ met hem mee, en dat was een soort zegen voor mij. Het levenloze gezicht van ■■■■■■ begon me enorm tegen te staan. Toen ■■■■■■■ kwam had ik het gevoel weer een mens te ontmoeten. ■■■ bood me een geschikte stoel voor mijn rugpijn, terwijl ■■■■■■ altijd aandrong op de metalen stoel op de smerige vloer.

‘Weet je dat ■■■■■■■■■ dealt in zus en zo?’ vroeg ■■■, terwijl hij een of ander verdovend middel noemde.

‘Waar hebt u het in hemelsnaam over?’ vroeg ik.

‘Je weet wat ■■ betekent,’ ■■■■■■■■ glimlachte omdat ■■■ wist dat ik niet loog. Ik had werkelijk alles kunnen zijn behalve een drugsdealer, maar ■■■■■ wilde niets liever dan mij een of andere misdaad in de schoenen schuiven, ongeacht welke.

‘Het is een verdovend middel,’ zei ■■■■■■■.

‘Het spijt me, maar van dat soort zaken weet ik helemaal niets.’

■■■■■ en zijn bazen beseften dat er meer ■■■■■■■■■■■■ voor nodig was. En dus besloten ze een andere ■■■■-ondervrager in het spel te brengen. Op een bepaald moment ■■■■■■ werd ik naar ■■■■■■ ■■■■ gebracht. Het escorteteam begreep er niets van.

‘Zeiden ze ■■■■■■■■■■? Dat is vreemd!’ zei een van de bewakers.

Toen we het gebouw betraden was er geen toezicht door bewakers.

‘Neem contact op met het d.o.c.!’ zei de ander. Na de radio-oproep kregen de >> >> bewakers opdracht bij mij in de kamer te blijven tot mijn ondervragers zouden komen. ‘Er is iets niet in de haak,’ zei de ene ■■■■. Het escorteteam besefte niet dat ik alles meekreeg wat er werd gezegd; er wordt altijd aangenomen dat de gedetineerden geen Engels spreken, wat ook meestal zo is. De leiding van het kamp probeerde de bewakers altijd te waarschuwen; borden met teksten als help de vijand niet en onachtzaam gepraat verraadt geheimen waren niet zeldzaam, maar de bewakers bleven desondanks tegen elkaar praten.

■■■■■■■■■■ was op enig moment een vaste verhoorplek, vervolgens een gebouw voor martelingen en daarna een bestuursgebouw. Mijn hart bonsde hevig; ik werd gek. Ik heb zo’n enorme afkeer van marteling. Een magere, kleine ■■■■ kwam de kamer binnen gevolgd door Mr. Tough Guy. ■■■■■■■ was een ■■■■■■■■■■■■■ ■■■■■ ■■■■■■■■■■■ ■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■. Zonder me te groeten of mijn handboeien los te maken ■■■■■■■.

‘Wat is dit?’ vroeg ■■■■, die me een plastic tas liet zien met een lasstaaf.

‘Dat is Indiase wierook,’ antwoordde ik. Dat was het eerste wat in me opkwam. Ik dacht dat ■■■ me een plezier wilde doen door een wierookstokje aan te steken tijdens het verhoor, wat een goed idee zou zijn geweest.

‘Nee, fout!’ ■■■ stak me er bijna mee in mijn gezicht.

‘Ik weet het niet,’ zei ik.

‘We hebben intussen bewijzen tegen je gevonden; meer hebben we niet nodig,’ zei ■■■. Ik vroeg me af wat er aan de hand was. Was dat een deel van een bom waarvan ze mij de herkomst in de schoenen wilden schuiven?

‘Dit is een lasstaaf die je in je badkamer verstopt hield,’ zei ■■■■■■.

‘Hoe zou ik zoiets ooit in mijn cel kunnen hebben, tenzij u of mijn bewakers het mij zouden hebben gegeven? Ik heb totaal geen contact met andere gevangenen.’

‘Jij bent slim, je zou het naar binnen kunnen hebben gesmokkeld,’ zei ■■■■.

‘Hoe?’

‘Breng hem naar de badkamer,’ zei ■■■. ■■■■■■■■■■■■■ De bewakers trokken me mee naar de toiletruimte. Zijn die mensen zo wanhopig dat ze me met wat dan ook proberen te belasten? Intussen legde een ■■■-bewaker aan ■■■■■■■ uit hoe die lasstaven in de cellen terechtkwamen; ik ving zijn laatste woorden op toen de bewakers me weer terugleidden. ‘… wel vaker. De aannemers blijven ze na gebruik in de wc’s gooien.’ Zodra ik binnenkwam viel iedereen plotseling stil. ■■■■ stopte de lasstaaf in een gele envelop. ■■■■ stelde zich nooit aan mij voor, en dat verwachtte ik ook niet van ■■.Hoe boosaardiger de bedoelingen van een ondervrager zijn, hoe sterker hij of ■■■ de eigen identiteit verborgen wil houden. Maar die mensen worden het vaakst gesnapt, en dat gold ook voor ■■■■, toen een van haar collega’s ■■■■ per ongeluk bij haar naam noemde.

‘Hoe ziet je nieuwe situatie eruit?’ vroeg ■■■■.

‘Helemaal geweldig!’ antwoordde ik. Ik had het toen echt moeilijk, maar ik gunde ze het genoegen niet dat ze hun boosaardige doel hadden bereikt.

‘Volgens mij heeft hij het te gemakkelijk,’ zei ■■■■■■.

‘Kom van die stoel!’ zei ■■■, en ■■ trok de stoel onder me vandaan.

‘Ik heb liever dat er een vuile boer op die stoel zit dan een wijsneus zoals jij,’ ging ■■■ verder, terwijl ik achterover op de grond viel. ■■■■■■■ ■■■■■■■■ verscheurende pijn. Vanaf 20 juni lieten ze me geen moment meer met rust. ■■■■■■ kreeg blijkbaar genoeg van mij, en dus bood zijn baas hem vers bloed in de hoedanigheid van ■■■■■■■■■ spreidde de foto’s van enkele verdachten van 11 september voor me uit, namelijk ■■■■■■■■■■■■■■■■■ ■■■■■■■■■■■.

‘Kijk naar die klootzakken,’ zei ■■■■.

‘Oké, en vertel ons nu wat je van die klootzakken weet!’ zei ■■■.

‘Ik zweer bij God dat ik jullie geen woord zal zeggen, wat er ook gebeurt.’

‘Sta op! Bewakers! Als je niet opstaat, zal het heel akelig worden,’ zei ■■■■. En voordat de martelbrigade de kamer binnenkwam, stond ik op, met gebogen rug omdat ■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■ me niet toestond rechtop te staan. De rest van de dag moest ik de pijn door mijn hele lichaam doorstaan. Ik droeg die pijn in stilte; ik bleef bidden tot mijn belagers er genoeg van kregen en me aan het einde van de dag terugstuurden naar mijn cel, na hun vernederingsbronnen voor die dag te hebben uitgeput. Ik had geen woord losgelaten, alsof ik er helemaal niet was geweest. U, beste lezer, hebt meer woorden tegen hen gesproken dan ik.

‘Als je naar de wc wilt, vraag je beleefd of je het toilet mag gebruiken, zeg: „Mag ik alstublieft?” Anders doe je het maar in je broek,’ zei ■■■■.

Voor de lunch besteedde ■■■■■■■■ tijd aan het zwartmaken van mijn familie, en met het aan mijn vrouw toeschrijven van de ergst denkbare bijvoeglijke naamwoorden. Omwille van mijn familie laat ik het na hun vernederende kwalificaties hier aan te halen. De hele tijd boden ■■■■■■■■■ ■■■ me slechts water aan en een koude maaltijd. ‘Je hebt geen recht op een warme maaltijd tenzij je meewerkt,’ zei ■■■■ een keer. Altijd als ze begonnen met me te martelen, weigerde ik te drinken of te eten. ■■■■ bracht haar eigen lunch mee om het mij moeilijk te maken. ‘Mmm, die ham is heerlijk,’ zei ze tussen twee happen door. Die middag was gewijd aan seksuele molestatie. ■■■■■■■■■■■■ ■■■■■■■■■■■■■ ■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■ ■■■■■ ■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■■ bloes en fluisterde in mijn oor: ‘Je weet hoe goed ik ben in bed,’ en ‘Amerikaanse mannen vinden het fijn als ik in hun oren fluister.’ <<