Blijf met je poten van onze moslims af

De reacties op de aanslagen in Parijs zijn anders dan die na de moord op Theo van Gogh in 2004. „Er was niemand die zei: ‘Ik ben Van Gogh’.”

‘Vredestocht’ van moslims in Groningen, half december 2014. Deelnemers riepen leuzen als ‘Geen terreur wel vrede’ en deelden rozen uit.
Vredestocht’ van moslims in Groningen, half december 2014. Deelnemers riepen leuzen als ‘Geen terreur wel vrede’ en deelden rozen uit. Foto Kees van de Veen

‘Het doel van dit soort mensen is een wig te drijven in de samenleving, dat moeten we niet laten gebeuren.” Nourdin El Ouali, leider van Nida, Rotterdamse islamitische partij.

„Het is klaar met wegkijken, het is aanpakken en hard ageren tegen elke vorm van een terroristische daad.” Yassin Elforkani, jongerenimam.

Het was 7 januari, de dag van de aanslag op de redactie van het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo.

Het waren heldere, krachtige moslimstemmen. Die in accentloos Nederlands, dat maakt toch uit, de aanslag veroordeelden. Zonder mitsen of maren. Mannen die moslim zijn maar bovenal Nederlander. Het zijn mensen die opgegroeid zijn in Nederland, gevormd door het Hollandse discours. Die precies weten wat ze wel en niet moeten zeggen en doen om serieus genomen te worden.

En dan was er nog de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb. Die stond er diezelfde middag als een „woedende moslim”. We moeten ons niet uiteen laten drijven door deze daders, zei hij. Om daarna de veel geciteerde zin uit te spreken: „Als je het niet ziet zitten hier met humoristen die een krantje maken, dan, mag ik het zo zeggen: Rot toch op!”

Ruim tien jaar geleden, na de moord op cineast Theo van Gogh op 2 november 2004, was dat toch anders. Ook toen waren er welbespraakte moslims die direct afstand namen van de aanslag, maar het was minder vanzelfsprekend.

Aboutaleb was ook toen een van hen. Hij sprak als wethouder Sociale Zaken in Amsterdam vergelijkbare woorden als vorige week. Voor mensen, zei hij, die „de gezamenlijke kernwaarden” van de Nederlandse samenleving niet delen, is geen plaats. „De vrijheid van religie, de vrijheid van meningsuiting en het antidiscriminatiebeginsel zijn de belangrijkste onderdelen daarvan. Een ieder die deze waarden niet deelt, doet er verstandig aan zijn conclusies te trekken en te vertrekken.”

Nederlandse moslim met gezag

Aboutaleb is nu de zelfbewuste burgemeester van de tweede stad van Nederland – een belangrijke machtspositie. Hij heeft het lef als belijdend moslim de islamitische Nederlanders rechtstreeks aan te spreken, iets waarvoor hij ook gewaardeerd wordt door autochtone Nederlanders. Een Nederlands moslim met gezag die zich zo duidelijk uitspreekt, die was er in 2004 niet, zegt Yoeri Albrecht, directeur van debatcentrum De Balie en vriend en collega van Theo van Gogh.

Hij vraagt zich wel af hoe breed de opvatting van Aboutaleb wordt gedragen. „Ik hoor veel moslims zeggen dat de aanslag een walgelijke wandaad is. Om daar in één adem aan toe te voegen dat er wel respect moet zijn voor de islam. En dat het hen ernstig grieft als de draak wordt gestoken met hun religie. Ik zou het normaal vinden als ze zouden zeggen dat het een recht is om zo’n krantje te maken.”

Tweede Kamerlid Ahmed Marcouch (PvdA) was in 2004 woordvoerder van de Unie van Marokkaanse moskeeën in Amsterdam en omstreken. Samen met Haci Karacaer, woordvoerder van het Turkse Milli Görüsbeweging, praatte hij zich blaren op de tong. Zij waren zo’n beetje het hele kaartenbakje waar alle journalisten uit putten, zegt Marcouch. „Nu is er een voorhoede. Toen zag het brede publiek geen verschil tussen de ene en de andere moslim.” Dat moslims onderling net zo verschillen als een boer uit Tietjerksteradeel en een kapster uit Weert daalde de afgelopen tien jaar langzaam in. Marcouch: „De publieke kennis over de diversiteit binnen de moslimgemeenschap is toegenomen. Ook bij politici trouwens.”

Er was in 2004 ook geen brede identificatie met de slachtoffers. Er was niemand die zei: ‘Ik ben Van Gogh’, zegt Yoeri Albrecht. „Zeker geen politici. Iedereen vond het afschuwelijk wat er was gebeurd, maar de meesten vonden dat Van Gogh het over zichzelf had afgeroepen.”

Wij-zij-denken

Arabist Jan Jaap de Ruiter van Tilburg University ziet meer verbondenheid dan tien jaar geleden. „Blijf met je rotpoten van onze rotmoslims af. Dat gevoel. Tien jaar geleden was elke moslim in principe gevaarlijk. Nu hoor ik vaker: dit kunnen we moslims natuurlijk niet aanrekenen.” Hij hoopt dat deze opstelling niet beperkt blijft tot de elite. De lakmoesproef is wat er nu in de wijken gebeurt, zegt hij. „Wat vinden mensen die niet twitteren, Facebooken of publiekelijk debatteren? Praten die elkaar complottheorieën aan of zijn ze in staat dichter bij elkaar te komen?”

Van moslims wordt vaak wel verlangd dat ze expliciet afstand nemen. Farid Azarkan, voorzitter van het samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders, maak je woedend met zo’n verzoek. En hij is niet de enige. Als je moslims vraagt om afstand te nemen van zulke gruweldaden, zegt hij, „geef je aan dat je ze niet vertrouwt. Moslims moeten kennelijk expliciet zeggen dat ze deugen om te deugen. Maar geen enkel weldenkend mens keurt zoiets goed. Dat spreekt vanzelf. Het geeft aan hoe sterk het wij-zij-denken is verankerd.”

Aan het andere kant van het spectrum staan de initiatiefnemers van de Facebookpagina #nietmijnislam, die rap werd opgericht na de aanslagen in Parijs en in anderhalve week 25.000 likes kreeg. Én veel aandacht op het NOS-journaal.

Yoeri Albrecht vindt het normaal als moslims afstand zouden nemen. „Ze kunnen wel zeggen: dit heeft niets met de islam te maken. Maar de daders dachten daar duidelijk anders over.” De ‘neem-afstand’-discussie speelde al voor de aanslag in Parijs. Het ging toen om de vraag of moslims zich moeten verantwoorden voor de wandaden die onder meer IS uit naam van de islam pleegt in Syrië en Irak. Albrecht: „Natuurlijk zijn ze niet verantwoordelijk voor de daden van IS, maar wat is er tegen om het expliciet te veroordelen? Wij distantiëren ons toch ook van de kruistochten? En de paus distantieert zich van misstanden in de Katholieke Kerk.”

De roep om afstand te nemen komt ook voort uit het bestaan van een kleine, maar luidruchtige groep moslims die de aanslagen begrijpelijk of zelfs prima vindt. Op jihadistische sites is goedkeuring te lezen omdat bepaalde orthodoxe moslims vinden dat op belediging van de profeet nu eenmaal de doodstraf staat. Zulke geluiden blijven niet beperkt tot deze sites, alles wordt doorgetwitterd en gedeeld. Iedereen kan het lezen. „Openlijke goedkeuring, zoals je nu hier en daar ziet, had je in 2004 ook nog niet”, zegt Albrecht.

De zichtbaarheid schept ook duidelijkheid. Het idee dat de Nederlandse moslims een eenheid vormen, is verdwenen. De radicale groep is duidelijk zichtbaar. Iedereen weet over de pakweg 180 Syriëgangers die zijn vertrokken en de 35 die zijn teruggekeerd naar Nederland. Iedereen hoort van de aanslag door moslimextremisten in België die deze week verijdeld is.

Ontwrichting door het Westen

Een ander belangrijk verschil met tien jaar geleden is de aandacht in de media voor de geopolitieke context van het jihadisme. Televisierecensent Hans Beerekamp schreef na de Charlie Hebdo-moorden al meteen in NRC: „Ook nieuw was de toon van de deskundigen in Nieuwsuur, van wie drie het eens leken over een verband tussen terrorisme en de ontwrichting van Arabische staten door westerse interventie. Dat geluid hoorde je na 11 september 2001 niet vaak op televisie.”

Niet na 11 september, en ook nog niet in 2004. „Dat was de eerste Hollandse confrontatie met een radicaal-islamitische beweging”, zegt Marcouch. Mohammed B., de moordenaar van Van Gogh, werd gezien als een individu dat de weg kwijt was geraakt. Maar een verband met wat in het buitenland gebeurde was er ook toen al. Samir A., later veroordeeld voor het beramen van aanslagen op Nederlandse politici, had in 2003 als 16-jarige met een klasgenoot de trein genomen om moslimbroeders in Tsjetsjenië te gaan helpen. Ze werden teruggestuurd bij de grens.

Samir sloot zich aan bij de Hofstadgroep, waartoe Mohammed B. behoorde. Een handjevol radicalen – in aantal waren jongens met extreme ideeën niet te vergelijken met nu. De AIVD schatte in 2003 het aantal personen dat in Nederland betrokken zou zijn bij islamitisch-terroristische netwerken tussen de 100 en de 200. Nu zijn dat er vele honderden.

De Arabische Lente van 2011 wrikte een hoop los. Toen de revoluties niet van de grond kwamen, grepen extremisten hun kans. „Achteraf zie je de voordelen van de dictaturen in het Midden-Oosten, zegt Marcouch met een wrang lachje. „De extremisten hielden zich bezig met de dictators, veel minder met het Westen.”

Veel moslims vinden dat het Westen met twee maten meet. Verschrikkelijk, de doden in Parijs. Maar waar is de afschuw over de duizenden burgerslachtoffers in Syrië, Irak, Gaza? „Daar zit wat in”, zegt Marcouch. „Je kunt het jihadisme niet los zien van de situatie in het Midden-Oosten.”