Wat een mens móet schrijven – en wat men wíl schrijven

Het Vlaamse literaire productiehuis Behoud de Begeerte krijgt zondag de ’s-Gravesandeprijs voor zijn literaire verdiensten.

Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014, het kloeke van essayist Matthijs de Ridder, leest als de uitkomst van een onderhandeling. Dat komt doordat het werk uit twee componenten bestaat: één ervan gaat over de geschiedenis van het jubilerende Vlaamse literaire productiehuis Behoud de begeerte dat in Nederland vooral bekend is van de Saint-Amour toernee en dat dit jaar is onderscheiden met de G.H. ’s-Gravesandeprijs. Het andere deel van het boek bestaat uit beschouwingen over het Vlaamse en Nederlandse proza (en een enkele dichtbundel) dat er tussen 1984 en nu volgens De Ridder toe deed. Of beter: die ertoe doen. Zo dicht hij nu waarschijnlijk méér waarde toe aan Hermans’ verhalenbundel De laatste roker dan men bij verschijning in 1991 deed.

Het kan bijna niet anders of De Ridder schreef dit boek in opdracht van Behoud de Begeerte. In het boek is dit niet te achterhalen (en dat is niet zo hoffelijk tegenover de lezer), maar het zou onverklaarbaar zijn als het zo níet zo was. Hoe sympathiek de literair-theatrale avonden van Behoud de Begeerte ook zijn – in Antwerpen of elders – , daar een volledig algemeen literair-historisch boek aan ophangen lijkt me wat te veel eer.

Die onderhandelingstoon die er uit spreekt, komt dan ook voort uit de constatering dat De Ridder de hoofdstukken over Behoud de Begeerte lijkt te hebben móeten schrijven, terwijl hij de essays over de boeken écht heeft willen schrijven.

Maar er loopt wel degelijk een rode draad door het boek. Of De Ridder het nu heeft over belangrijke boeken of over performanceliteratuur, altijd klinkt in zijn woorden de ijver door om literatuur bij de maatschappij te betrekken of het politieke eruit te lichten. En gemakzuchtig is hij ook niet. Van de schrijvers die je ook slechts als ouwehoer, barbaar of clown zou kunnen behandelen (Reve, Cremer, Brusselmans), maakt hij altijd meer dan het cliché.

Echt interessant wordt het als hij in een van zijn beschrijvingen van de schrijver-als-performer bij de Vlaamse dichter Dirk Van Bastelaere uitkomt. Die was nu eens niet alleen maar blij met een uitnodiging om zijn poëzie op een van de Behoud de Begeerte-avonden te komen voordragen. Van Bastelaere plaatste vraagtekens bij het populariserende effect van Behoud de Begeerte, omdat hij vreesde dat literatuur erdoor steeds meer als een vorm van entertainment gezien zou worden.

De Ridder houdt het erop dat Van Bastelaere hiermee ‘een punt had’. En daarmee wordt ook meteen duidelijk wat een werkelijk kritisch boek over dit onderwerp had kunnen opleveren. Het valt immers moeilijk te ontkennen dat de schrijver die het podium betreedt de lezer tegemoet komt, en hem niet uitdaagt door hem slechts zijn tekst voor te schotelen.

Behoud de Begeerte is erg mooi uitgegeven, vol foto’s van rokende, tierende, zingende of gewoon voorlezende schrijvers (en een enkeling slechts gekleed in tangaslip en gasmaker) die met hun voordrachten de acteur in zichzelf naar boven lieten komen. De tekst er omheen is af en toe wat dweperig, maar de stukken waarin De Ridder het gewoon over boeken heeft zijn scherp, betrokken en eigenwijs. Dáár lusten we in de toekomst nog wel meer van.