Vluchtige weemoed uit ‘afvalput’

Joris van Casteren spreekt met werknemers, reizigers en ‘bewoners’ van het jubilerende station Amsterdam CS.

Zelf omschrijft Joris van Casteren zijn vandaag gepresenteerde boekje over Amsterdam Centraal Station als „een grote reportage over het gebouw, de mensen die er werken, de reizigers en de vaste bewoners”. Het idee was van uitgeverij Bas Lubberhuizen, de aanleiding was het 125-jarig bestaan van het station.

In korte hoofdstukken doet Van Casteren verslag van zijn zwerftochten door en ontmoetingen in het station. Hij spreekt met verkeersleiders, omroepers, de locatiemanager, de toiletjuffrouw, de lokettiste, agenten, een rondleider, een Duitse junk, spoorwerkers. NS gaf na enige aarzeling toestemming om met alle medewerkers te praten.

Van Casteren houdt van de zelfkant. Ook in eerdere reportages voor Vrij Nederland toonde hij een voorkeur voor marginale figuren, mensen die geen aansluiting vinden bij de reguliere samenleving. Niet zo vreemd dus dat zwervers en junks goed vertegenwoordigd zijn in zijn stationskroniek. Met kennelijk genoegen verwijst hij veelvuldig naar de (homo)prostitutie die in de jaren ’70 en ’80 op het station plaatsvond. Elke oudgediende heeft wel een keer een ‘schandknaap’ met een ‘keurige meneer’ betrapt.

Probleem is alleen dat de tijden van het CS als afvoerput van de stad voorbij zijn. Dus moet Van Casteren teren op de sterke verhalen van anderen, die ooit iets geks meemaakten. Zijn boekje ademt weemoed naar de tijd dat er rare dingen gebeurden, toen alles nog niet zo strak was gereguleerd. Toen je nog gewoon over het spoor mocht lopen als werknemer van Strukton. Toen je nog grappen kon uithalen met collega’s. Toen mensen nog tijd hadden voor een praatje, en niet altijd op hun telefoon keken. Het mensbeeld van de bewakers van de stationsorde is weinig opwekkend.

Het station maakt een vluchtige indruk. De portretjes beklijven niet. Van Casteren blijft ondanks de vele details aan de oppervlakte en hanteert een te simpele schrijfstijl.