Vis

Langs de Rotte, vlak bij een brug, zitten twee jongens te vissen. Warm ingepakte silhouetten tegen de helblauwe lucht. Zestien, zeventien. Ik heb ze nooit eerder gezien. Op deze plek zit meestal een oude meneer die altijd ‘mogge’ zegt als ik langs wandel. Ook als het middag is. Een van de jongens draagt een petje van Feyenoord, de andere is zo volmaakt kaal dat het zonlicht op zijn hoofd weerkaatst. Ze hebben een mp3-speler bij zich, met kleine boxen eraan. Er klinkt een agressieve basdreun.

De jongen met de pet heeft zijn hengel in het gras gelegd en rolt een joint. Ik kan wel zien dat hij dat vaker heeft gedaan, zo snel en doeltreffend werken zijn vingers. Intussen kijkt hij strak naar het water, net als zijn vriend. De kaken op elkaar. De wenkbrauwen neerwaarts.

‘Kankervis!” roept de kale jongen hard. Het is mij niet direct duidelijk waarom hij dit roept. Of tegen wie. Richt hij zich tot het onderwatergedierte? Of bedoelt hij het meer in het algemeen, als een uiting van algehele onvrede? Soms is een woord überhaupt niet van toepassing op iets, bedenk ik. Soms is het alleen maar bedoeld om sfeer te creëren. Een beetje zoals vrouwen in de tram op weg naar de Koopgoot ineens „gezellig” kunnen zeggen.

„Kankerkankervis!” roept hij nu. Zijn vriend met de pet steekt intussen zwijgend de joint aan. Tussen hen in zie ik een bakje met wurmen staan. Als je het woord ‘kronkelen’ uit zou willen leggen aan iemand die geen Nederlands spreekt zou je zo’n bakje mee kunnen nemen. Ter illustratie. Als je er lang naar kijkt begrijp je meer van de taal. En ook meer van het leven in dit kleine, dichtbevolkte land. Alle onbedoelde intimiteit, alle beweging.

De kale jongen krijgt de joint aangereikt. „Kankerkankerkankervis”, zegt hij. Ik krijg de indruk dat hij een groot liefhebber van herhaling is. Als ik op de brug blijf staan om mijn handschoenen uit te trekken vangt hij mijn blik. Hij lacht een beetje betrapt. Rook kringelt uit zijn mond.

„Lekker hè”, zegt hij. En daarna, geheel in stijl: „Lekkerlekker.” Hij begint luid te hoesten.

De jongen met de Feyenoordpet kijkt me aan. „Hij heb kanker”, zegt hij, met een knikje naar zijn vriend. „Dus hij mot blowen.” De kale jongen knikt. „Ruggenmerg.” Er wordt een wurm uit het bakje gepakt aan een haakje geregen. De jongen met de pet werpt, met een mooi boogje over het water. De kale jongen kijkt tevreden.

Even later zie ik hen opnieuw, vanaf de overkant. De muziek is harder gezet. De joint is opgerookt. Onwillekeurig denk ik, als ik terug naar huis wandel, aan de kankervis. De kanker-kankervis. Een dier met een boosaardige kop moet dat zijn. Liggend op de modderige bodem van de Rotte. Wachtend op zijn dag.