Tussen de ratten de treinrails over

Tosca Niterink en haar dans- en wandelpartner Anita Janssen roeien, wandelen en scooteren de Ganges af. Ze doen op de Achterpagina wekelijks verslag.

‘De meest irritante eigenschap van Indiërs, dat gestaar. We zien er natuurlijk ook idioot uit in hun ogen.’
‘De meest irritante eigenschap van Indiërs, dat gestaar. We zien er natuurlijk ook idioot uit in hun ogen.’ Foto Anita Janssen

De trein naar Allahabad gaat al over één minuut staat op het bord. Rennen dus! We hebben niet eens tijd meer om een kaartje te kopen. We vliegen met onze bagage de steile trappen op naar perron tien. Het verkeerde perron, blijkt even later.

„Jullie moeten aan de overkant van het spoor zijn”, wijst een man met zijn bek vol rode qat, waardoor hij niet kan praten. (De meeste mannen in India kunnen daardoor niet praten.) Ik zie Annie resoluut het perron afklimmen en over de rails springen. „Nee!”, roep ik panisch, „dat durf ik niet!”

„Kom!”, gebiedt ze mij. Ik doe een schietgebedje en volg haar met knikkende knieën. De rails liggen vol menselijke uitwerpselen. „Getverderrie Annie, kijk uit dat je er niet in stapt.” Ik zie overal ratten wegschieten. Als ik me op het andere perron heb gehesen en over een naakte zwerver ben heengestapt die zichzelf helemaal onder heeft gescheten, zegt Annie: „De trein is er nog niet eens, hij heeft driekwartier vertraging.” Ik steek opgelucht een sigaret op en kijk naar het spoor waar ik net overheen gelopen ben. Ik tel op dat kleine stukje zeventien ratten. Dan komt er een man naar me toe, een machinegeweer in zijn hand: „Ma’m, no smokink.”

„Strontland”,mompel ik kwaad.

„Wist je dat vijfenvijftig procent van de mensen geen toilet heeft”, zegt Annie. Dat zijn miljarden drollen per dag, reken ik uit, dat is op jaarbasis...

Er komen twee mannen naar ons toerennen, ik herken de receptionist van ons hotel. Ze wapperen met de rekening van de minibar... We zijn een kitkat en een fles bier vergeten af te rekenen.

De trein is eindeloos lang en overvol, nergens is plaats. We staan in het gangpad en iedereen staart naar ons, vanuit alle hoeken. De meest irritante eigenschap van Indiërs, dat gestaar. We zien er natuurlijk ook idioot uit in hun ogen en we zijn zo verschrikkelijk groot en dik. Ik voel me een olifant in dit land.

Een man zet een paar kinderen in het bagagenet en gebaart dat we erbij kunnen gaan zitten. Ik kan met een halve bil op het puntje van de keiharde houten bank zitten. Dan komt er een blinde oude man aan met een fietsbel op zijn stok, waar hij hard mee rinkelt om de aandacht op zichzelf te vestigen. Hij kan er ook nog best bij, het is een broodmager mannetje. Voor lichamelijk contact is niemand bang in India, hij zit lekker warm tussen Annie en mij ingeklemd. „We moeten hem niet vergeten anders stikt-ie misschien”, waarschuw ik Annie. Een vrouw met twee baby’s op haar arm, zet er eentje bij mij op schoot.

„We hebben geen kaartjes”, probeert Annie aan de conductrice uit te leggen. De vrouw spreekt geen Engels, haalt haar schouders op en loopt weg. Een man met elefantiasis aan zijn been – hij heeft een voet als een bloemkool – wurmt zich al bedelend door het gangpad. „Sorry”, zeg ik tegen hem, „ik kan niet bij mijn portemonnee want ik zit klem.” Hij bloemkoolt boos verder. Ik voel mijn been warm en nat worden.