Screenen op ziekte redt weinig levens

Er overlijden minder mensen aan borstkanker, aan darmkanker en aan een geknapte lichaamsslagader door de screeningstests die voor die dodelijke ziekten bestaan. Maar van 16 andere levensbedreigende ziekten is niet onomstotelijk aangetoond dat screeningsprogramma’s de sterfte aan die ziekten verlagen. En screeningsprogramma’s die niet alleen het overlijden aan de gescreende ziekte, maar ook de algehele sterfte meetbaar terugdringen zijn zelfs „erg zeldzaam of niet-bestaand”.

Dat schreven onderzoekers, onder leiding van de berucht kritische epidemioloog John Ioannidis van Stanford University, gisteren in het International Journal of Epidemiology.

Van screenen op baarmoederhalskanker, prostaatkanker, baarmoederkanker, eierstokkanker, lever- en longkanker, mond- en keelkanker, hartziekte en diabetes type 2 staat bijvoorbeeld niet vast dat de sterfte aan die ziekten erdoor afneemt.

In Nederland bestaat bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, borstkanker en – sinds een jaar – dikkedarmkanker. Ioannidis vond geen sterftedaling door de screening op baarmoederhalskanker. De screening op gevaarlijke uitstulpingen van de lichaamsslagader (aorta-aneurysma’s) is in Nederland niet ingevoerd. De sterfte wordt er weliswaar mee teruggedrongen, maar dan moeten veel mensen een grote, preventieve operatie ondergaan, terwijl maar een klein deel daar profijt van heeft.

Ioannidis en zijn collega’s schrijven dat een test op een vermoede ziekte er door technische vooruitgang vaak opeens is en dan sluipend wordt ingevoerd. Als die test vervolgens als screeningtest wordt aangeboden, is een jarenlang durend gerandomiseerd onderzoek vaak al (ethisch) onuitvoerbaar. Toch blijft dan onduidelijk of de screening gezonde levensjaren oplevert, afgezet tegen de overlast die hij veroorzaakt aan overdiagnose en overbodige behandeling. Gerandomiseerde onderzoeken zijn de enige manier om het nut van screening vast te stellen, vinden de onderzoekers.