Op zoek naar een vorm, een thuis en erkenning

Een ‘foute’ vader, een jeugd in een ontspoord gezin, drie huwelijken en altijd een buitenstaander gebleven. Bij de veel te jong overleden schrijver-schilder streden ‘schaamte en fascinatie om aandacht’.

Henk van Woerden in 2005: ‘Hij is in Zuid-Afrika vanalles kwijtgeraakt; zijn moeder, geborgenheid en het gevoel van een thuis’
Henk van Woerden in 2005: ‘Hij is in Zuid-Afrika vanalles kwijtgeraakt; zijn moeder, geborgenheid en het gevoel van een thuis’ Foto Vincent Mentzel

Op 16 november 2005 overleed schrijver en schilder Henk van Woerden op 57-jarige leeftijd in Ann Arbor. De Universiteit van Michigan had hem uitgenodigd om als writer in residence enkele maanden college te komen geven. Hij was er heengegaan zonder zijn derde vrouw Nicole Müller, maar het werk en het land bevielen hem uitstekend. Het was een inspirerende periode, die helaas niet zou uitmonden in een nieuwe publicatie. Zijn lovend ontvangen roman, Ultramarijn, enkele weken voor zijn dood verschenen, zou zijn laatste werk blijken te zijn.

Van Woerden stierf plotseling, op veel te jonge leeftijd ‘tijdens zijn gang van douche naar klerenkast’, zoals te lezen staat in het pas verschenen Koning Eenoog. Een migrantenverhaal van Toef Jaeger, critica en redacteur van deze krant. Een enigszins macabere, maar sterke titel.

Van Woerden wordt op 6 december 1947 geboren met een uitpuilend linkeroog; ‘aangeboren glaucoom’ is de diagnose. Door de pijn en de druk op het te snel groeiende oog wordt in 1953 besloten om het te vervangen door een glazen oog. Het oog, het kijken, het beeld als beeld en niet als symbool; het zullen belangrijke motieven worden in Van Woerdens beeldende werk en proza.

Zwerver

Van Woerdens verhaal is dat van de klassieke zwerver. Zwalkend tussen hier en daar, van relatie naar relatie, en altijd dat gevoel een buitenstaander te zijn en te moeten blijven. Hoewel hij het stempel ‘buitenstaander’ gaandeweg accepteerde en er soms mee koketteerde, blijkt uit Jaegers verhaal dat Van Woerden altijd zoekende bleef. Zoals ze in haar inleiding schrijft: ‘Henk is in Zuid-Afrika van alles kwijtgeraakt: zijn moeder, geborgenheid en het gevoel van een thuis.’ Daar kun je de rest van je leven zoet mee zijn.

Wat Van Woerden onderzocht was het dilemma van de migrant, en dat deed hij door gretig en haast vanzelfsprekend gebruik te maken van de werkelijkheid. Zíjn werkelijkheid. Zijn jeugd was wat dat betreft een goudmijn. In het eerste deel van Koning Eenoog, ‘Naar Zuid-Afrika’, maakt de lezer kennis met een ontspoord gezin, door ellende achtervolgd. Een gezin van vier kinderen met een doodlieve maar ziekelijke moeder, Jopie, en met een onberekenbare, ontrouwe en onbetrouwbare vader, Joop.

Voeg daarbij een gefortuneerde en bemoeizuchtige grootmoeder, ‘oma Scheepstra’, Joops schoonmoeder en dochter van een rijke herenboer en weduwe van een hoofdinspecteur bij de Rijksbelastingen. Een schoonmoeder die bovendien het geheugen van de familie is, een levend archief dat alles bewaart, brieven, foto’s, rapporten. De ‘koffer van oma Scheepstra’ is dan ook een zegen als Van Woerden besluit over zijn jeugd in Zuid-Afrika te schrijven in zijn bekroonde debuut Moenie kyk nie (1993).

In Ultramarijn heeft Van Woerden afscheid genomen van Zuid-Afrika als onderwerp. In zijn eerste drie romans en de bundel Notities van een luchtfietser (2002) worstelt hij met zijn haat-liefdeverhouding voor dat land en met zijn jeugd die hij er grotendeels doorbrengt. Het jonge gezin Van Woerden vertrekt januari 1957 per boot naar Zuid-Afrika om zich aan te sluiten bij vader Joop, die al vooruit is gereisd. Henk, zijn jongere broertje Hans en zijn zusje Anneke, de baby Carl en moeder Jopie. Pas in 1968 zal Henk Zuid-Afrika verlaten en zich in Nederland vestigen, om vervolgens nooit meer ergens echt te aarden, ook niet in Griekenland of in Zuid-Afrika.

In brieven van Jopie aan haar moeder en in schoolrapporten komt Henk naar voren als een verantwoordelijke, ernstige en zorgzame jongen. Op het oog heel anders dan vader Joop, een wat labiele klusjesman die zich ontwikkelt tot amateurfotograaf en zich nauwelijks om zijn gezin bekommert, ook niet wanneer zijn vrouw steeds vaker ziek is.

Vaderfiguur

Jaeger staat uitgebreid stil bij deze fascinerende vaderfiguur met onbedoeld komische en aandoenlijke trekken. Zo schrijft vader Van Woerden in 1957 aan oma Scheepstra dat hij al enkele mooie huizen in het vizier heeft en vol goede moed is wat betreft het avontuur in het nieuwe vaderland. Ook laat hij zijn schoonmoeder weten dat hij ‘geen behoefte heeft aan andere vrouwen’.

Een tragische figuur, deze ‘dolende vader’ die zijn verantwoordelijkheid niet neemt en daartoe misschien ook niet in staat is. Al als jonge jongen is hij het zwarte schaap van de familie, en bovendien plast hij nog in zijn bed als hij twintig is. Wanneer moeder Jopie, na het zoveelste lange ziekenhuisverblijf op 37-jarige leeftijd in 1959 sterft, zit het gezin Van Woerden niet alleen zonder moeder, maar ook zonder vader. Die laatste heeft het te druk met vriendinnen, fotografie, zijn helende gaven en zijn zoektocht naar een passende religie. Healing Circle, antroposofenverenigingen, mormonen, de baptisten-evangelist Billy Graham – alles passeert de revue.

Met een nieuwe vriendin verhuist Joop naar Rhodesië, het huidige Zimbabwe, waarna hij kort in Nederland woont om vervolgens te verkassen naar Israël, waar hij zich bekeert tot het jodendom. Hij belandt in Engeland, waar hij een religieuze sekte probeert op te richten en uitvinder wordt. In Koning Eenoog staat dan: ‘Tot aan zijn dood blijft hij werken aan een machine die wanneer je er een haar of een nagel in stopt, kan uitrekenen wie je bent.’

Jaeger weet aannemelijk te maken dat het vader-kind-motief in het werk van Van Woerden ook een toenaderingspoging is in fictie. Als Van Woerden ontdekt dat die hele emigratie naar Zuid-Afrika een vlucht voor het verleden moet zijn geweest – Joop werkte na mei 1940 bij het Duitse Siemens, verkocht in het uniform van de Weer-Afdeling Volk en Vaderland en trok als fotograaf voor het Nazionalsozialistisches Kraftfahrtkorps naar het Oostfront – is de schok groot. Niet in de laatste plaats omdat Van Woerden overeenkomsten ziet tussen zijn vader en de man die hij zelf aan het worden is: ‘Schaamte en fascinatie strijden om aandacht’, schrijft hij in een eerste opzet voor het verhaal ‘De fuik’, in de bundel Notities van een luchtfietser.

En zo ontvouwt Jaeger, met flinke sprongen en terzijdes, de achtergronden van een boeiend en rusteloos schrijverschap, van een eenling in het leven en in de kunst. Veel persoonlijke feiten verwerkte Van Woerden in zijn romans en verhalen, maar Jaeger legt zonder veel onnodige uitleg toch nieuwe dwarsverbanden. Niet in de laatste plaats omdat zij voortdurend Van Woerdens werk en leven aan elkaar blijft koppelen en diens schrijfproces toont. Zo wordt een passage uit ‘De fuik’ waarin Van Woerden uitweidt over het verleden van zijn vader voorafgegaan door een ‘oerversie’ van diezelfde passage, en krijgt de lezer een indruk van de moeilijke, diffuse grens tussen feit en fictie.

Henk, zoals zoveel zonen, is bang ongewild in de voetsporen van zijn vader te treden. ‘Mijn vader was doortrapt. Heel erg een uitvreter. En voortdurend op de vlucht. Ik dacht hem van mij af te hebben geschud, maar als men de oppervlakte bekijkt lijk ik misschien toch op hem.’

Van Woerden trouwt drie keer, krijgt twee kinderen, lijkt bij hun opvoeding weinig betrokken, en verder blijkt hij het ook niet zo nauw te nemen met de huwelijkse trouw. Het open huwelijk met zijn eerste vrouw, de Zuid-Afrikaanse Linda Pentz en moeder van zijn dochter Nicky, kan daar nog tegen, maar zijn tweede echtgenote Margot Groot en moeder van zijn zoon Njal heeft er veel meer moeite mee. Tijdens zijn huwelijk met Nicole Müller lijkt hij in rustiger vaarwater terecht te komen.

Lange tijd is er dat knagende gevoel miskend, of niet genoeg erkend te zijn. Jaeger besteedt in het tweede deel van haar boek veel aandacht aan de worsteling van de begenadigde jonge schilder Van Woerden, die in Nederland geen gebrek aan belangstelling en waardering kent maar nooit tevreden is, en bovendien altijd als ‘vreemd’ wordt beschouwd: als Zuid-Afrikaan in Nederland, als Nederlander in Zuid-Afrika. Ook het verblijf in Griekenland is een idylle die geen stand houdt, ook daar voelt hij dat hij er niet ‘bij hoort’.

Obsessie

Natuurlijk richt al dat zwalken en zwerven de blik naar binnen, en niet zelden krijgt Van Woerden het verwijt geobsedeerd te zijn met zichzelf. Die obsessie is echter goed verklaarbaar, en in feite een fascinatie met het land waar hij als jonge volwassene aanvankelijk niet meer bij wil horen, een land dat mensen indeelt en verdeelt op basis van huidskleur en afkomst. Een land van bastaardkinderen en verschoppelingen, zoals de moordenaar Dimitri Tsafendas over wie Van Woerden het prachtige en internationaal geprezen Een mond vol glas (1998) schreef. Of van Ingrid Jonker, de Afrikaanse dichteres die in 1965 de zee in loopt. Bovendien voelt Henk zich als jong talentvol kunstenaar in Zuid-Afrika soms Eenoog in het land der blinden – Jaeger tekent Van Woerden als een enigmatisch kunstenaar en een charmante man, maar ook als een mopperaar die neerbuigend uit de hoek kan komen.

Als Henk tijdens latere bezoeken Kaapstad aandoet en hunkert naar een gevoel van thuiskomen, voelt hij zich er verloren, terwijl hij bij weer een nieuw afscheid in een dagboek kan noteren: ‘Vaarwel Afrika.’ Dat wispelturige, stuurloze karakter komt duidelijk naar voren in Koning Eenoog, een biografie die veel maatschappelijke, historische en politieke context biedt en een mooi beeld schetst van een boeiend schrijver en schilder op zoek naar een vorm, een thuis en die eeuwige erkenning. Erkenning die hij gelukkig volop kreeg voor dat schitterende en helaas veel te klein oeuvre, waaraan je na lezing van Koning Eenoog direct weer wilt beginnen.

Wie was Van Woerden, wie wilde hij zijn. Misschien dat jongetje dat Joakim observeert in Ultramarijn: ‘In de steeg naar het restaurant huppelt een jongetje. Een jochie van een jaar of tien, tenger, dromerig. Hij dartelt door het straatje en over het plein. Of liever: hij danst, geheel in zichzelf gekeerd, alles buiten zijn wereld vergeten.’