Met taal is het lastig vrijen

Zondag krijgt classicus Piet Gerbrandy de Jan Campertprijs – zijn essays tonen de lezende dichter. Hij neigt ertoe zelfs duizend jaar oude teksten te benaderen alsof hij de allereerste lezer is.

Piet Gerbrandy Foto Tessa Posthuma de Boer/Hollandse Hoogte
Piet Gerbrandy Foto Tessa Posthuma de Boer/Hollandse Hoogte

Ogenschijnlijk is hij een keurige en ernstige classicus, maar er schuilt iets baldadigs in Piet Gerbrandy. Door die frivole snor natuurlijk, en door zijn dichterschap, maar er is meer. Neem nu hoe hij alles wat hij schrijft en leest een erotische lading weet te geven. Dat Lucebert een ‘liturgie voor de lust’ schreef is niet verbazingwekkend, maar om in Hans Faverey een zinnelijk dichter te zien moet je goed kijken.

Zin, lust en poëzie, de ondertitel van de nieuwe essaybundel De jacht op het sublieme, zijn hier daadwerkelijk nauw op elkaar betrokken. Taal is lichamelijk, zegt Gerbrandy: een kwestie van tong, timbre en ritme. De vertaler ‘geeft gelegenheid’ , en de lezer is een minnaar: ‘De blik zeilt over de tekst, adem en hartslag volgen de cadans van de regels’. Als het wonder slaagt is het gedicht, net als erotische extase, een manier om buiten jezelf te treden.

Vele zielen

Maar in de borst van Gerbrandy schuilen vele zielen. Behalve classicus en een romanticus is hij naar eigen zeggen ook ‘postpostmodernist’ en weet hij dat de taal ‘ons spreekt’ in plaats van andersom, en dat ze per definitie tekort schiet. De extase mislukt dus altijd, en het gedicht kan alleen haar eigen ingebouwde falen beschrijven. Zoals hij opmerkt in zijn bevlogen essay over de liefdesgedichten van Hans Faverey: ‘Op papier kan de geliefde nooit iets anders worden dan een taalconstructie, en daarmee is het nu eenmaal lastig vrijen’.

Hij vergelijkt het werk van de dichter met dat van de priester of de verliefde: ‘Om dat ene uit te drukken wat er echt toe doet, staan hem slechts oeroude woorden ten dienste, die al miljoenen malen eerder zijn gebruikt, en hij weet het’. Taal is het enige dat ons kan helpen tegen de existentiële leegte, maar tegelijk is het een vervaarlijke en onbetrouwbare helper. Zo laveert de essayist handig tussen de Scylla van de mystieke betekenis van literatuur aan de ene kant, en de Charibdis van het postmoderne besef van haar vergeefsheid aan de andere kant. Beide krijgen de ruimte in essays over Sappho, Samuel Beckett en Kees Ouwens.

Literatuur is dus niet louter versiering van het leven, maar haar essentie ‘die tot taak heeft het gat tussen ervaring en taal te dichten’. Dat geldt voor de ‘belachelijke’ gedichten van Jacob Groot net zo goed als voor de waanzin van Jan Arends of de carnavaleske overdaad van Lucebert. Wat de mens definieert is dat hij het ondanks alles blijft proberen. Dat poëzie het gat nooit kan dichten, en juist daar over schrijft, is nu precies wat haar subliem maakt.

Om dat te illustreren keert Gerbrandy graag terug tot de oorsprong van literatuur als ‘oeroude vormen van verleiding’: naar de Romeinen en de Grieken, naar de vraag hoe taal zich vormt in onze hersenen, of naar de Neanderthalers en hun allereerste woorden. Die neiging om steeds bij het begin te willen beginnen betekent ook dat Gerbrandy teksten, ook wanneer het duizenden jaren oude gedichten betreft, benadert alsof hij de eerste lezer is, die zijn commentaar in een nog maagdelijke kantlijn schrijft. Hij schudt vrolijk en eigenzinnig de hele exegetische traditie van zich af om te beschrijven dat hij ‘verpletterd’ is door de brievenboeken van Reve, te beschrijven wat hij leest in Luceberts lente-suite voor Lilith, of waarom het niet erg is als we onze schriftcultuur zouden verliezen.

Criticus

Alleen in de meer academisch getoonzette inleiding – over het sublieme – herkennen we de classicus die zijn referenties geeft en braaf de betekenis van het begrip door de eeuwen heen beschrijft. In de andere stukken is Gerbrandy niet zozeer academicus als wel criticus in de traditie van Kees Fens: gevoed door grondige kennis van de klassieke westerse traditie en tegelijk vrij van al te dwingende kaders.

Die vrijheid betekent dat Gerbrandy de ruimte neemt om heerlijk onderhoudend te ouwehoeren, maar vooral om steeds met een andere bril op naar een tekst te kijken. Soms legt hij alle nadruk op close reading en interteksten, om dan daarna weer biografisch te lezen en te zoeken naar de stem van de dichter: ‘zonder persoonlijke stem gaat het niet’. Die stem is wat de boel ‘bijeen houdt’.

Dat geldt ook voor Gerbrandy’s eigen stem. Die houdt – veel meer dan het sublieme – hier de ideeën bijeen. De dichter beschikt, zo schrijft Gerbrandy ergens, over ‘inzicht, dat hij met de wereld kan delen, met uitzicht op erkenning in beperkte kring’. Met dat inzicht zit het wel goed bij Piet Gerbrandy. Met de erkenning ook, gezien de VSB-nominatie en de Jan Campertprijs die hij zondag ontvangt voor zijn recentste dichtbundel, Vlinderslag.