Kameraad, offer je op of val dood

Het eerste insidersverslag uit de begindagen van Stalins grote zuiveringen in 1934. Zo leest deze roman van de Tsjechische schrijver Weil, waarin mensen moeten kiezen voor een leven mét of zonder gevoel.

‘Heel Moskou bouwt de metro’, een Russische propagandaposter uit 1934
Heel Moskou bouwt de metro’, een Russische propagandaposter uit 1934 Foto Fine Art Images/Heritage Images/Getty Images

Sterven voor een ideaal in een vreemd, ver land. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw waren duizenden westerse idealisten ertoe bereid toen ze naar de de jonge Sovjet-Unie trokken om het socialisme te helpen opbouwen. Het leek allemaal prachtig, tot in 1934 de Leningradse partijleider Kirov werd vermoord en de Stalinterreur begon, die aan miljoenen onschuldigen het leven kostte.

De Tsjechische schrijver Jirí Weil, die tussen 1933 en 1935 als journalist en vertaler van marxistische literatuur in Moskou werkte, ontkwam aan dat lot, omdat hij net op tijd de benen nam. In 1937 publiceerde hij een roman over zijn ervaringen, De hartslag van Moskou, die nu voor het eerst in een voortreffelijke Nederlandse vertaling is verschenen. Het is een bloedstollend, maar ook dromerig boek, dat je behalve als roman ook kunt lezen als een van de eerste insidersverslagen uit de dagen van de grote zuiveringen.

De hartslag van Moskou bestaat uit drie delen. In het eerste vertelt Weil het verhaal van Ri, een jonge ongelukkige vrouw. Haar vader, een joodse fabrikant, is sinds het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk in 1918 failliet; haar niet-joodse moeder zit in een psychiatrische kliniek. Alle drie hebben ze geen toekomst.

Uit onvrede over haar bestaan laat Ri zich door haar liefde voor de joodse arts Karel meevoeren naar Palestina om zich over te geven aan de zionistische zaak. Maar ze mist het Oude Europa met zijn koffiehuizen en theaters, en kan maar niet aarden in de woestijn waar de collectieve pioniersgeest iedere privacy verhindert. Als ze ook nog eens inziet dat haar geliefde niet oprecht gelooft in het zionistische ideaal en vooral met macht bezig is, keert ze wanhopig terug naar haar land van herkomst.

Wanneer ze in Wenen in de Donau wil springen, weerhoudt de ingenieur Robert haar daarvan. Hij staat op het punt naar de Sovjet-Unie te vertrekken. Niet omdat hij zo’n gelovige communist is, maar omdat hij de handen uit de mouwen wil steken als leider van een fabriek. Ri volgt hem, zoals ze eerder Karel volgde: ‘Ze ging naar het Azië van politieke leuzen en collectivisatie, naar het kille Azië, het ijskoude Azië met zijn strenge voorschriften, een Azië dat strijd leverde met Europa’.

Eenzaamheid

In dat ‘Azië’ voelt Ri zich opnieuw een vreemde. Haar dagen brengt ze in eenzaamheid door in haar luxeflat, waar ze smacht naar de thuiskomst van Robert. Weil beschrijft die eenzaamheid heel knap door Ri door Moskou te laten dwalen en haar in overvolle trams een duw of een snauw van haar lompe medepassagiers te laten krijgen.

Uit onvrede besluit Ri nu om als arbeidster in een kogellagerfabriek te gaan werken. Ze wil zelfs stootarbeidster worden en meelopen in de 1-meiparade, alsof alleen dat haar kan verzoenen met de Nieuwe Wereld: ‘Overal op straat zag ze deelnemers aan de optocht. Die schuifelden rillerig over straat, vermoeid van de lange mars, maar Ri kon in geen enkele blik iets van ontstemdheid, ergernis of boosheid lezen. Ze oogden voldaan, alsof ze net een goed, degelijk karwei achter de rug hadden, een dat je vreugde schenkt en kalmte.’

Weil beschrijft subtiel hoe Ri haar emoties geleidelijk aan uitschakelt en zich aanpast aan haar omgeving, al zal ze zich er nooit echt op haar gemak voelen. Je begrijpt het meteen als je leest hoe Weil het arbeidersleven neerzet: ‘Ze aten met hun handen, poerden met een vork tussen hun tanden en spuugden restjes eten uit.’

In het tweede deel van het boek staat een andere Tsjechische emigrant centraal: Jan Fischer, een vertaler en journalist, in wie je Weil herkent. Fischer is een nog intrigerender personage dan Ri. Zo heeft hij door dat het communisme tot het uitschakelen van menselijke emoties leidt en twijfelt hij aan de juistheid van zijn idealisme. Anders dan Ri past hij zich niet aan, en gaat ten onder.

Het noodlot kondigt zich aan als Fischer bij Ri op de koffie is en beseft dat hij geen Sovjetmens is: ‘Hij had het gevoel dat er iets wat allang vergeten was, teruggekeerd was, iets wat sterker was dan die hele last van plichten en regels die samenhingen met de harde, dagelijkse arbeid. Hij had het idee dat hij hier op vakantie was, dat hij weer even een blik mocht werpen op Europa, alleen maar heel even – daarna weer regen, mist, natte sneeuw, asfalt, trams, kantoorwerk, de scholingscursus van ’s avonds laat, niets dan geploeter dat al ’s ochtends vroeg begon met: “Hallo, hier Radio Moskou, het Donetsbekken heeft het industrieel-financiële plan voor 98 procent gehaald, tegenover 97 procent de vorige maand.”’

Achterhoede

Die regels en plichten hebben een verstikkende uitwerking op Fischer. Dat beseft hij nog meer als hij verliefd wordt op Ri, in wie hij een lotgenoot herkent. Een mooie passage is die waarin hij zichzelf in het gareel probeert te dwingen door zijn verliefdheid te onderdrukken: ‘Hij had geen recht op ontspanning en vermaak voor zichzelf, hij was een soldaat op mars, misschien ergens ver in de achterhoede, maar toch moest hij steeds in de pas blijven lopen, niet de rijen verlaten en voortmarcheren waar dit land hem gelastte heen te gaan.’

Fischer schommelt voortdurend heen en weer tussen zijn wankelende trouw aan de partij en zijn ware gevoelens. Zijn menselijkheid breekt hem op wanneer hij een typiste verdedigt, die ontslagen is omdat ze te laat op haar werk verscheen. Hij haalt zich hiermee de wraakzucht van een hoge partijfunctionaris op de hals.

In het derde deel van de roman voert Fischer in nazi-Duitsland een gevaarlijke missie uit. Zijn liefde voor Ri mengt zich steeds meer met schuldgevoel jegens de partij. Door de geheime opdracht te vervullen meent hij dat hij zich opnieuw ‘in de rijen der strijders’ kan voegen en dat zijn lafheid plaats kan maken voor moed. En juist deze stap zal hem fataal worden.

Weil beschrijft het allemaal tegen de achtergrond van een massaal door lompe, argwanende arbeiders bevolkt Moskou. De metrobouw heeft er hele straten opengelegd en de stoom van de fabrieksschoorstenen walmt van de bladzijden.

De enige ‘winnaar’ in deze roman is Ri. Aan het eind is zij wel een Sovjetmens geworden, die bereid is om alles voor de goede zaak op te offeren. Dat na de moord op partijleider Kirov die goede zaak een wrede, onmenselijke kant zou blijken te hebben, zouden veel van die nieuwe gelovigen aan den lijve ondervinden.