Het vermogen ergens in te geloven

In gesprekken waarin we pogingen doen om te begrijpen of te verklaren wat de bedrijvers van allerlei vormen van kwaad beweegt en waarin we praten over ideologische voorstellingen, verzucht er altijd wel iemand dat hij of zij zich niet kan voorstellen dat iemand ‘zulke onzin’ gelooft. ‘Zulke onzin’ is dan bijna altijd een vereenvoudigde versie van de ideologie in kwestie.

We hebben zo ook vaak gesproken over het communisme bijvoorbeeld: dat iedereen toch met eigen ogen kon zien dat het leven onder het reëel existerende communisme niet erg veel overeenkomsten vertoonde met de idealen van vrije en gelijke mensen die gezamenlijk aan een maatschappij gestalte gaven waarin ongelijkheid en onrecht niet langer bestond. Wij geloofden niet erg in enig geloof in die ideologie.

Door Vladimir Sjalamov bijvoorbeeld of, gefictionaliseerd, door Vasili Grossman in zijn schitterende Leven en lot, worden nogal eens mensen beschreven die weliswaar door het regime gevangen genomen zijn en veroordeeld tot dwangarbeid, maar die desondanks in het systeem en de ideologie blijven geloven. Ze weten zeker dat er in hun geval een noodlottige fout is gemaakt, die niets te maken heeft met de waarde van alles waar ze voor staan.

Hoe blind kun je zijn, verzucht de lezer innerlijk. Grossman laat wel iets zien van hoe die blindheid tot stand komt, maar nog nooit had ik het zo meegevoeld als in het boek van de Duitse auteur Maxim Leo, Rode liefde.

Leo is geboren in 1971 en opgegroeid in de DDR. Zelf heeft hij nooit veel opgehad met het systeem, anders dan zijn sympathieke en heldhaftige grootvader, wiens leven hij beschrijft, en die in Frankrijk in het verzet zat en na de oorlog uit overtuiging in het communistische deel van Duitsland is gaan wonen. De grootvader is een intelligente, bereisde, ontwikkelde man. Maar in discussies met Leo’s ouders geeft hij nooit een duimbreed toe, hij is een ideologische ijzervreter geworden. De zichtbare onderdrukking, bekrompenheid en machtswellust lijken voor hem niet zichtbaar, of hooguit als tijdelijke tekortkomingen van iets dat eigenlijk volmaakt is.

Al lezend begon ik iets te begrijpen, op een diepere manier dan eerst, en niet alleen over hardnekkige communisten, ook over mijzelf. Het heeft te maken met het vermogen ergens in te geloven, en met de betekenis die een geloof aan alle dagelijkse dingen geeft.

Het begrip ‘geloven’ is enigszins besmet geraakt, maar desondanks geloven we in van alles. In liefde bijvoorbeeld, in dat het bestaat: van iemand te houden en met diegene verbonden te zijn en trouw te blijven aan dat gevoel. Menigeen houdt dat vol, ook als de praktijk niet echt (meer) in overeenstemming is met het ideaal. Dan vindt niemand het zo vreemd dat er een verschil bestaat tussen voorstelling en praktijk. Mensen die beweren dat een huwelijk niets anders is dan een economische overeenkomst, dat het gezin een terreurorganisatie is, dat wat wij liefde noemen een vorm is van wederzijdse beknotting en onderdrukking, daar zijn we over het algemeen niet dol op. Ook al zeggen zij iets dat misschien (ik wil daar niet aan) ook waar is.

Soms is het geloof zo sterk, dat elke praktijk erbij in het niet valt. Het verlies ervan betekent een zo grote ontgoocheling dat het leven zijn glans verliest. Zelfs al ben je dan naar men zegt in ‘de waarheid’ terecht gekomen.

Als je begrijpt, zoals je bij Leo gaat doen, zoals je doet wanneer het om je eigen ervaringen gaat, hoe verweven ideaalvoorstellingen zijn met een leven en hoe ze daar richting aan hebben gegeven, dan valt beter in te zien hoe makkelijk je ‘blind’ kunt zijn.