Het schrijfhol uit, en dan weer terugkruipen

Haar elfde dagboekdeel is uit, vol ‘aangeklede zieleroerselen’. Ze klinkt kordater, ze lijkt tevredener, zelfs een beetje trots. En nu begint het lange wachten op de resterende delen.

Tekening Paul van der Steen

Op 17 augustus 1977 maakte Frida Vogels een korte notitie in haar dagboek over een graankorrel, gevonden in de graftombe van een farao. De graankorrel was na 4000 jaar alsnog ontkiemd. Zij nam niet aan dat dat ontkiemde plantje zelf nog graankorrels zou dragen. ‘Het was de schim van een graankorrel, waaruit de schim van een plant ontkiemde.’ Zij zag meteen een verband tussen deze weerbarstige graankorrel en het boek waarop zij al tientallen jaren zat te broeden: ‘Een schim van een schim waar toch taai leven in zit.’

Het bescheiden beeld van het graankorreltje dat zich na al die jaren toch nog weet op te richten, past goed bij het beeld dat Frida Vogels (1930) van zichzelf geeft in het elfde en voorlopig laatste deel van haar Dagboek. Al vele jaren wijdt zij zich, ‘in een hol’, aan haar ‘geschrijf’, terwijl maar een enkeling er een losse passage van gelezen heeft. En terwijl degenen voor wie ze haar boek schrijft, echtgenoot Enzo en broer Michiel, er amper belangstelling voor tonen.

Op 24 december 1978 schreef ze in haar dagboek ‘Klaar.’ Toen had ze een punt gezet achter de zoveelste revisie van De naakte waarheid, het sluitstuk van wat in 1992, zestien jaar later, als deel 1 van de trilogie De harde kern zou verschijnen. Het bijzondere van dit nu verschenen elfde dagboekdeel is dat we, in een voor- en een nawoord, de ontluiking én de beëindiging van Vogels officiële schrijverschap kunnen mee beleven. We zien haar uit haar schulp kruipen, uit haar schrijfhol, en het besluit nemen om niet alleen De harde kern, maar later ook haar dagboek aan een onbekend lezerspubliek prijs te geven. En we zien haar, na de publicatie van elf dagboekdelen, ten slotte weer terugkruipen in haar schulp omdat er, naar haar idee, in de jaren tachtig zulke pijnlijke dingen voorvielen dat ze die niet gepubliceerd wil hebben voor haar dood.

Het publiceren van het dagboek stopt dus in 1978 en gaat niet meer door tot 1991, zoals aanvankelijk de bedoeling was. De pijnlijke dingen waarover Vogels tot nader orde wil zwijgen, kan men, zo schrijft zij, nalezen in het middendeel van De harde kern, ‘en dat is al schokkend genoeg.’ Vermoedelijk doelt Vogels hier vooral op het overspel van echtgenoot Enzo, waarvan zij in 1977 de eerste, stiekeme signalen opving – en waar in latere jaren flink over geruzied zal zijn, al liep het huwelijk er niet op stuk.

We zullen dus voorlopig moeten teren op dit elfde dagboekdeel, dat weer helemaal aan de verwachtingen voldoet: vlijmscherpe zelfkritiek, fijne anekdotes, onvoorwaardelijke dierenliefde en het eeuwige geschipper tussen het leven zelf en het schrijven erover.

‘Het zootje’

Vogels maakt zelf in haar aantekeningen een scherp onderscheid tussen ‘boek’ en dagboek. De harde kern staat voor haar op een veel hoger plan omdat er zorgvuldig structuur is aangebracht in ‘het zootje’ dat ze van haar leven meent te hebben gemaakt. Maar voor een lezer zou dat wel eens anders kunnen liggen. Ook in haar dagboek, waaraan trouwens, zo blijkt uit het voorwoord, jarenlang door Vogels is geschaafd (van 1991 tot 2000), zie je haar voortdurend bezig al haar daden en gedachten te duiden en in te passen in een groter geheel. En ook in haar dagboek onderzoekt ze voortdurend of ze nog wel door haar eigen, strenge beugel kan. Het dagboek is wat rustiger van toon dan ‘het boek’, vaak ook droger en geestiger omdat het toch wat meer uit de mouw geschud lijkt, en er losse flodders in mogen, zoals de ontroerende aantekening, op 11 oktober 1978, over een vriendelijk oud vrouwtje dat af en toe in Bologna aan de deur komt en dat ze dan wat geld toestopt.

Door alles heen, ook door de losse flodders, loopt de drang om overal greep op te houden, om verantwoording af te leggen over alles wat ze doet en laat. Als ze zich afvraagt waar haar dagboek over gaat, dan komt ze op één woord: ‘zieleroerselen’. Maar dat moeten wel ‘aangeklede’ zieleroerselen zijn. ‘Het is de aankleding waar het op aankomt.’ Het is inderdaad precies die aankleding, de lekker lopende zinnen, de gortdroge observaties, de heldere opbouw van de verhalen en anekdotes, die deze aantekeningen zo levendig en spannend maken.

Je weet nooit waar je aan toe bent bij Vogels. Een slecht begonnen dag kan door een onverwachte kleinigheid mooi eindigen en omgekeerd. Een kritische opmerking kan haar helemaal opfleuren, terwijl loftuitingen juist verkeerd kunnen vallen. Als Vogels, door omstandigheden, niet meekan op familiebezoek, en ze haar schoonmoeder belt om haar te feliciteren met haar verjaardag, krijgt ze te horen dat iedereen het jammer vindt dat ze er niet is. ‘Als je eens wist hoe ontzettend we je allemaal missen! Je zou het niet geloven!’ Deze notitie wordt droogjes afgesloten met: ‘Ik geloofde het dan ook niet.’

Wat deze keer opvalt is dat Vogels wat kordater klinkt dan anders. Er is nog steeds volop zelfkritiek, maar ze heeft meer oog voor de nuance. Als ze vaststelt dat het haar ontbreekt aan menselijke warmte en daadkracht, dan ziet ze meteen wat daar tegenover staat. ‘Juist doordat ik menselijk tekortschiet, kan ik zo mooi praten.’ Ook heeft ze deze jaren wat meer oog voor wat er goed gaat. Zo omschrijft ze een tweedaagse wandeling met haar broer als ‘nagenoeg volmaakt’. Ze is ook tevreden, zelfs wel een beetje trots, op de goede daad die ze verricht in Castellina, tijdens de zomer van 1977. Samen met een tienjarige jongen redt ze een gewonde herdershond van een wisse dood. De operatie bij een dierenarts in Foggia kost hem weliswaar een poot, maar hij knapt daarna weer op en blijkt ook met drie poten verder te kunnen leven.

Adoptie

Het is moeilijk te zeggen welk verhaal er het meest uitspringt. De episode met de hond, het ziekenhuisverblijf van nicht Marisa – met Vogels als onhandige ziekenverzorgster – of de al even onvergetelijke passages over de 9-jarige Jan, die haar en Enzo nogal plompverloren ter adoptie wordt aangeboden door Valeria, de doodzieke moeder van Jan. Vogels weet iedereen er vervolgens met ijzersterke argumenten van te overtuigen dat hij beter in het gezin van zijn tante kan opgroeien.

Wat mij misschien nog wel het meest bevalt is het montere ‘Verslag met de linkerhand’, het nawoord, geschreven in 1991, dertien jaar na voltooiing van het dagboek. Daarin wordt ons een blik gegund in de periode nadat Vogels haar manuscript had ingeleverd, ongeveer een jaar voordat het eerste deel van De harde kern zou verschijnen. Vogels schrijft het toe aan overmoed dat zij op een dag ten val kwam, met aan elke hand een volle boodschappentas.

Zij belandde, met haar boodschappentassen, in het ziekenhuis van Bologna. Nadat haar gebroken pols in het gips was gezet, mocht ze weer naar huis. ‘Toen ik in de taxi zat’, schrijft ze, ‘voelde ik me tamelijk triomfantelijk gestemd. Daar zat ik met mijn gipsen arm. We zouden wel eens zien, hoe ik daarmee de wereld te lijf ging.’ Die lichte, uitdagende toon hoort bij het nieuwe bewustzijn van Frida Vogels. Van een buitenstaander, die in het verborgene haar schriftjes had gevuld, was ze de schrijfster geworden van een dik boek dat liet zien dat haar leven tot dan toe niet voor niets was geweest.

Een graankorrel die na vele jaren toch nog uitgroeit tot een plantje: bij nader inzien is dat een al te karig beeld voor een literaire laatbloeister die veel meer dan een schimmig groeisel heeft voortgebracht. Vogels heeft inmiddels veertien dikke boeken op haar naam staan, het ene nog levendiger en sprankelender dan het andere. Gelukkig hebben we er nog een stuk of zes te goed.