Geen filmfonds meer, wel een commissioner

Met het stoppen van het Rotterdam Film Fonds stortte de lokale filmscène vrijwel geheel in. Toch is de stad als filmdecor populairder dan ooit.

Rotterdam een filmstad? Jules Deelder denkt daar het zijne van. ‘Rotterdam is geen illusie door de camera gewerkt, Rotterdam is niet te filmen, Rotterdam is vééls te ècht’, is een zinsnede uit het gedicht Rotown Magic. De boodschap is duidelijk: filmen doen ze maar in Amsterdam.

Het bleken profetische woorden van de dichter, want vanaf 2012 gebeurde dat dan ook letterlijk: door het stoppen van het Rotterdam Film Fonds vertrok het overgrote deel van de Rotterdamse filmscène naar de hoofdstad.

Sinds de oprichting van het filmfonds in 1996 gaf de instantie jaarlijks ongeveer 2,5 miljoen euro uit aan Rotterdamse filmmakers en producenten. Het geld ging niet naar grote, dure publieksfilms met Rotterdam als onderwerp, zoals Het Bombardement en De Marathon (beide 2012), maar veelal naar kleine projecten. Het beschikbare budget moest volledig in Rotterdam worden geïnvesteerd, zodat de lokale filmindustrie daarvan kon profiteren. De subsidie van 2,5 miljoen leverde de stad jaarlijks 6 à 7 miljoen aan ‘economische spin-off’ op, waaronder bestellingen bij toeleveranciers en hotelovernachtingen.

Documentairemaker Victor Vroegindeweij, bekend van zijn dertiendelige serie Halte over de medewerkers van de RET, noemt het stoppen van de jaarlijkse subsidie van de gemeente aan het filmfonds „desastreus voor Rotterdam”. „Bijna alle toeleveranciers die bij de productie van een film betrokken zijn, zijn vertrokken of gestopt. De infrastructuur is helemaal ingestort.”

Vijf speelfilms opgenomen

Hoewel de filmmakers daar niet direct mee geholpen zijn, ziet de werkelijkheid op het witte doek er minder somber uit. De laatste maanden van 2014 werden er in Rotterdam zeker vijf speelfilms opgenomen en diende de stad in liefst 29 commercials als decor.

Het succes is deels te danken aan de onbureaucratische manier waarop de gemeente omgaat met de afhandeling van film- en commercialaanvragen. Sinds oktober is filmcommissioner Saskia Kagchèl hiervoor verantwoordelijk. Zonder budget, maar wel met een snelle afhandeling van de aanvragen voor het filmen op bijzondere locaties en het afzetten van wegen: doorgaans duurt dit in Rotterdam maar drie tot zeven dagen, waar in andere steden soms weken overheen gaan. Met deze tactiek probeert Rotterdam de concurrentiestrijd met andere steden aan te gaan.

Het lijkt te werken. Mede geholpen door de ‘cash rebate-regeling’ van het landelijke Filmfonds – waardoor er jaarlijks in heel Nederland 25,3 miljoen euro beschikbaar is voor grote producties – keert de filmwereld langzaam terug naar Rotterdam.

De Rotterdamse locatiescouts Esha Kalberg van locatiebureau Loes op Locatie en Michiel van Meegdenburg plukken de vruchten van de aantrekkende filmwereld. Kalberg legt uit hoe het spotten van locaties voor films en commercials werkt. „Met Loes op Locatie werken wij doorgaans vanuit een vast bestand, net zoals dat bij een modellenbureau gaat. We bezoeken locaties, fotograferen ze en zetten ze op onze website.” Uit een script voor een film of commercial komt een bepaalde locatiewens naar voren. Aan de scouts de schone taak om minstens drie of vier geschikte locaties aan te bevelen.

Subsidie kan ook afstompen

Zo werkte Van Meegdenburg mee aan de Toen Was Geluk Heel Gewoon-film. Voor de opnames had de filmcrew twee dagen een straat in het Oude Noorden tot hun beschikking. Om de straat in de jaren ’70-stijl te krijgen, werd deze vrijwel helemaal verbouwd. „Heel de bestrating werd eruit gehaald, de ondergrondse containers, de Amsterdammertjes, de fietsenstallingen, noem maar op.” Een goede locatie is pas perfect als ook de details kloppen.

Wel of geen filmfonds, de stad moet ook zonder kunnen, vindt acteur Dragan Bakema. Het was juist deze drang naar perfectie die hij de laatste tijd mist in de filmwereld, dóór veel subsidies.

Bakema: „Ik ben voor subsidie, maar tegen de mensen die in paniek raken als er een subsidiepotje verdwijnt. Deze stad biedt namelijk zo veel meer dan het filmfonds ooit heeft kunnen doen. Je moet dan alleen wel een stuk harder werken dan voorheen.”