Dit is een poging de daders in Parijs te begrijpen

Keihard heeft de veroordeling geklonken van de aanslagen in Frankrijk. Lost dit iets op? Nee, zegt Ilja Leonard Pfeijffer. Wat helpt? Empathie tonen.

Foto AP/ Bewerking fotodienst NRC

Dit stuk gaat over ongemak. Want na de aanvankelijke verontwaardiging over de aanslag in Parijs voelde ik mij de afgelopen week in toenemende mate ongemakkelijk bij de wijze waarop de aanslag in het publieke domein werd geannexeerd.

Het idee begon bij mij post te vatten om een stuk voor deze krant te schrijven over het ongemak dat ik voel voor de overweldigend unanieme en hartverwarmend eenzijdige steun voor die rebelse kwajongens, die met hun dekselse tekeningetjes toch maar mooi de profeet te kakken hebben gezet en daarmee helden zijn geworden van het vrije woord en martelaren in de heilige oorlog van het glorieus verlichte Westen tegen de achterlijke en verachtelijke islam. Het leek mij nodig ook de andere kant van het verhaal te belichten en een stuk te schrijven waarin ik begrip opbreng voor de daders. Die worden nu zonder enig voorbehoud verketterd als monsters die nog erger zijn dan misdadigers, als vijanden van onze vrijheid en als de verpersoonlijking van het kwaad dat met wortel en tak dient te worden uitgerukt, verdelgd, platgebrand en verbannen naar de diepste kringen van de hel.

We zeggen dat we zo verlicht zijn en dat we haat nimmer zullen tolereren, maar haat is het enige antwoord dat wij op haat weten te geven. En dat heeft nog nooit tot iets geleid. Het enige juiste antwoord is empathie en een poging om de daders te begrijpen. Zo’n stuk wilde ik schrijven en ik had ‘Je suis Kouachi’ als provocerende titel bedacht.

Maar met het voornemen om mijn ongemak onder woorden te brengen, werd ik overvallen door een ander gevoel van ongemak. Want uiteraard besefte ik maar al te goed dat ik uiterst gevoelige, om niet te zeggen explosieve materie zou aanroeren. Misschien was zo’n stuk eigenlijk geen goed idee.

Twee dagen geleden mailde ik de redactie van deze krant, om te vragen of het verstandig zou zijn zo’n stuk te schrijven. Dat deed ik natuurlijk niet voor niets. Dat doe ik anders nooit. Het antwoord bevatte wijze woorden. ‘Waarom niet? Je weet hoe het werkt: hoe gevoeliger het onderwerp, hoe beter de argumentatie van de auteur moet zijn. Immers, als de lezer het a priori met je eens is, is die in het algemeen wat luier in z’n denken en neemt dan genoegen met halve waarheden. Als de lezer het a priori met je oneens is, of heel sterk oneens, dan slaat hij bij je eerste argument al op tilt.’

Misschien is ongemak in dit geval wel een eufemisme voor hypocrisie. Want we staan nu allemaal schouder aan schouder met een potlood in de lucht, pal voor de vrijheid van meningsuiting, maar die vrijheid geldt alleen voor ons en niet voor de ander. Je mag je mening vrijelijk uiten op voorwaarde dat je de juiste mening hebt. Iedereen mag alles zeggen wat hij wil, behalve dat hij begrip heeft voor de daders die nog een paar appeltjes te schillen hadden met dat zogenaamde vrije Westen van ons.

Vrijheid van meningsuiting is sinds vorige week ons grootste goed en ons hoogste recht, zeker in Frankrijk, maar eergisteren is de Franse komiek Dieudonné opgepakt omdat hij op Facebook had gezegd dat hij begrip heeft voor de terroristen. En er lopen nog 54 vergelijkbare zaken in Frankrijk. Vijf mensen zijn al veroordeeld. Twee mannen kregen een jaar cel, omdat ze op straat hadden geroepen: ‘Ik ben er trots op een moslim te zijn. Ik houd niet van Charlie. Ze hadden het recht dat te doen.’

Ik wil de aanslag in Parijs niet goedpraten, begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk is het fout om mensen neer te schieten omdat hun gevoel van humor het jouwe niet is. Sterker nog, dat is bij wet verboden. Evenmin wil ik mezelf opwerpen als verdediger van een geloof dat de doodstraf uitvaardigt jegens iedereen die spot met zijn profeet of van welk ander geloof dan ook. Het liefste zou ik ook elke vorm van religie bij wet verbieden, maar dat is nu even niet het punt. Ik zou wel graag de kanttekening willen maken dat de humor van Charlie Hebdo niet de mijne is. Ik kan niet lachen om die tekeningetjes. Ik vind ze grof en onnodig kwetsend. Hier begeef ik mij al op glad ijs, dus haast ik mij eraan toe te voegen dat iedereen uiteraard het volste recht moet hebben om onleuke en onnodig kwetsende plaatjes te tekenen. Die vrijheid zal ik tot mijn laatste snik verdedigen, maar ik zal diegenen die van die vrijheid gebruikmaken daar niet om bewonderen, laat staan dat ik ze zal vereren als helden van de vrijheid.

Maar mijn grootste gevoel van ongemak betreft onze hypocrisie. Het trof mij als een bliksemschicht toen ik een van de honderden cartoons voorbij zag komen die naar aanleiding van de aanslag zijn gemaakt. Er waren twee moslims getekend. Die kon je herkennen aan het feit dat ze bivakmutsen droegen en kalasjnikovs in hun handen hadden. Vol ontzetting keken ze naar de hemel van waaruit een bombardement van potloden op hen neerdaalde.

Precies zo zien wij het graag. De moslims zaaien dood en verderf met hun achterlijke geloof en hun automatische wapens en wij, verlichte westerlingen die wij zijn, slaan terug met onze universele waarden en vrijheid van meningsuiting, die zijn gesymboliseerd door die regen van potloden.

Maar zo is het natuurlijk niet. En die cartoon laat dat pijnlijk duidelijk zien. Want in werkelijkheid staan die moslims zonder bivakmuts en kalasjnikov op hun schamele akkers in Irak, Afghanistan, Syrië of in de Gazastrook – en wat op hen uit de hemel neerdaalt, is geen bombardement van potloden, maar een bombardement van bommen. Met de vriendelijke groeten uit het vrije, verlichte Westen. Ik kan mij voorstellen dat je als moslim wel een paar bedenkingen hebt om onze universele westerse waarden onvoorwaardelijk te omarmen, zoals wij van hen eisen.

De aanslag in Parijs wordt door velen beschouwd als een oorlogsdaad. Dat zou je zo kunnen zien, maar dan moet je je wel afvragen wie die oorlog is begonnen. In zijn stuk in deze krant van gisteren citeerde Arend Jan Boekestijn Leon Trotski: ‘Wij kiezen niet voor een oorlog, maar de oorlog kiest ons.’ Hij citeerde het om duidelijk te maken dat we ernst moeten beginnen te maken met het bestrijden van de islam. Maar je zou het evengoed kunnen omdraaien. Het citaat zou ook uit de mond kunnen komen van de terroristen.

Als het oorlog is, hebben wij het daar zelf naar gemaakt. Dan moet je niet raar opkijken als de vijand begint terug te schieten.

Als het oorlog is, mag de vijand ook meedoen, anders is het niet eerlijk. Die vijand moet je dan bestrijden, maar je moet niet opeens heel hypocriet in een protestmars gaan lopen roepen dat de vijand niet mag bestaan en dat hij een smet is op onze vredelievendheid.

Mijn gevoel van ongemak betreft het algeheel gedeelde gevoel dat het nu oorlog is. Want met een oorlogsverklaring creëer je niets anders dan vijanden. In NRC Handelsblad van zaterdag schrijft Tom-Jan Meeus over verschillende Amerikaanse veiligheidsadviseurs die er achteraf spijt van hebben dat de VS in antwoord op de aanslag op de Twin Towers de ‘War on Terror’ hebben uitgeroepen. Dat heeft volgens hen averechts gewerkt. Een van hen, Mark Fallon, de special agent die meteen na 9/11 was belast met de opsporing van Osama Bin Laden, zei dat je terroristen pas aan je zijde krijgt als je je in hen verdiept. „Alles draait om empathie”, zei hij. En toen Meeus hem vol ongeloof vroeg of hij bedoelde dat we een kopje thee moeten gaan drinken met de terroristen, antwoordde hij: „Absoluut. Want dát verwachten ze niet.”