Opinie

Botsende meningen

Twee mij bekende lezeressen, ik noem ze mevrouw X. en mevrouw Y., stuurden mij diametraal tegenovergestelde mails over de moorden in Parijs. Natuurlijk, zij waren het eens over de verwerpelijkheid van die moorden, maar zij kwamen desondanks op essentiële punten in botsing.

„Misschien kan jij het mij uitleggen”, schreef mevrouw Y. mij. „Waarom is het zo belangrijk gevaarlijke mensen uit te dagen? Welke zaak dienen ze hiermee? Pesten op school is verboden, maar persvrijheid betekent kennelijk dat je iedereen mag en móét beledigen. Persoonlijk zie ik geen reden om te rouwen om de dood van mensen die deze moorden willens en wetens over zich afriepen. [...] Zij zijn een soort martelaren geworden, maar dan van het vrije woord, veel onschuldige slachtoffers in hun actie meeslepend. [...] Wat een tragedie, terwijl een aanslag te voorzien was en dus te voorkomen. [...] Hoeveel mensenlevens moet onze persvrijheid ons nog kosten?”

Ik schreef mevrouw Y. dat ik het niet met haar eens was. Ook de meest beledigende cartoons rechtvaardigen geen moord. Ik verwees naar de bekende discussie over verkrachten. Hoe uitdagend een vrouw zich ook kleedt, het geeft niemand het recht haar te verkrachten. Welke zaak hiermee gediend werd? Het antwoord lag besloten in haar laatste vraag die ik met een wedervraag wilde beantwoorden: hoeveel mensenlevens zou het ons kosten als er geen persvrijheid meer bestond?

Mevrouw X. schreef mij dat zij vaak aan de gevleugelde woorden van Van Randwijk moest denken: „Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Zij hekelde de houding van veel media na de moorden.

„Ik hoopte dat die Westergaard-cartoon met Mohammed en bom op de voorpagina’s zou verschijnen. Dat gebeurde niet. Ik was zeer teleurgesteld in de diverse media, die zeiden dat ze nooit kwetsende dingen wilden tonen. Wat een onzin! Ik vond die foto van de afgemaakte agent veel kwetsender dan welke cartoon ook.” Zij was geen voorstander van ongelimiteerd beledigen, maar zelfcensuur vond zij uiterst schadelijk. „Mensen zijn bang, en ik neem ze dat niet kwalijk, maar ik vind het wel jammer.”

Ik antwoordde haar dat ik het onredelijk vond de media zoveel verwijten te maken. Het viel met die zelfcensuur wel mee. Dat veel kranten geen beledigende cartoons wilden afdrukken, wilde nog niet zeggen dat ze geen kritiek op de radicale islam durfden te hebben. De media hadden de laatste jaren juist veel van dergelijke kritiek geuit. Bovendien waren niet álle beledigende cartoons de moeite waard – ik verwees naar Westergaard die het werk van Nekschot „te grof en discriminerend” had genoemd.

En moesten we ook niet wat meer begrip hebben voor de voorzichtigheid van hoofdredacteuren, die verantwoordelijk waren voor al hun ondergeschikten?

Toen ik deze vraag had opgetikt, realiseerde ik me hoe belangrijk die vraag van mevrouw Y. was: hoeveel mensenlevens moet onze persvrijheid ons nog kosten? Ik had me er wel met een retorisch goed klinkende wedervraag uit gered, maar ik kon niet ontkennen dat de meeste hoofdredacteuren er een ander antwoord op hadden gegeven dan hun vermoorde collega van Charlie Hebdo. Dat veroorzaakte juist die boosheid van mevrouw X.

Voor wie van die hoofdredacteuren moesten we het meeste begrip hebben? Een huiveringwekkende vraag waarop ik geen antwoord weet.