Bij Gatti komt Mahler 3 op de rand van stilstand

Dat Daniele Gatti in staat is een macho-Mahler neer te planten, bewees zijn recente Zesde symfonie bij het Concertgebouworkest. Deze week leidt de komende chef-dirigent de vol natuurkrachten opbollende Derde, met dank aan Bernard Haitink die bedankte voor de klus.

Gatti is Haitinks tegenpool. Geen ingetogen, intuïtieve aanpak en een spanningsboog vanuit de tenen, maar hard werken aan álle details middels volmaakte controle. De duistere Italiaan is ook geen Mariss Jansons: diens Derde klonk in 2010 soms wat slordig maar liep over van pure liefde.

De zinderende hoornfanfare maakte gisteravond meteen duidelijk: het Concertgebouworkest is onder Gatti in topvorm. Elke kans leidde tot een doelpunt, met fantastische bijdragen van hoorn, viool, es-klarinet en hobo. De offstage posthoornsolo van Omar Tomasoni was exceptioneel gaaf.

Gatti weet de volumes al beter te controleren, maar zijn neiging om frasen dramatisch breed uit te meten blijft hardnekkig. Het slot van het tweede deel werd uitgesponnen. In ‘O Mensch’, omfloerst gezongen door Christianne Stotijn, liet Gatti een lelijk gat vallen. Het tempo lag reeds vanaf het openingsdeel laag, al kan dit worden gerechtvaardigd als extra nadruk op de doodse Winter– in contrast met de „binnenmarcherende Zomer” .

In tegenstelling tot de militante Zesde was Gatti’s Derde emotioneel geladen. Teder troostten de celli de fenomenaal zwartgallige trombonesolo van Jörgen van Rijen. In het onnavolgbare slotdeel Langsam, ‘Was mir die Liebe erzählt’, bundelde Gatti de krachten tot een ondraaglijke intensiteit, op het randje van stilstand, en werd het orkest door twee paukenisten toch nog ten hemel gedragen.

Floris Don