Opinie

Als een democratie burgers niet wil horen

In Duitsland bestaat het eigenaardige gebruik om niet alleen een Woord van het Jaar te kiezen, maar ook een Unwort des Jahres. Dat woord wordt weliswaar niet bij wet verboden, maar wel min of meer besmet verklaard. De keuze is soms taalkundig, soms politiek gemotiveerd.

Een jury onder leiding van een taalkundige uit Darmstadt koos dinsdag de term ‘Lügenpresse’ tot het ‘Onwoord van 2014’: een scheldwoord waarmee de hele pers voor leugenaar wordt uitgemaakt. En een woord waar duidelijk vraag naar is. Al minstens sinds de Eerste Wereldoorlog is het in gebruik. Ook de nazi’s bedienden zich ervan (‘die jüdisch-marxistische Lügenpresse’), en later ook de ideologen van de DDR (om de westerse pers zwart te maken). En nu wordt het geroepen door de demonstranten die iedere maandag in Dresden betogen tegen ‘de islamisering van het avondland’, zoals het genoemd wordt in de naam van hun beweging Pegida (Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes).

Met de uitdrukking ‘Lügenpresse’, schrijft de jury, worden in één keer alle media belasterd, „wat gefundeerde mediakritiek verhindert en zo een bijdrage levert aan de bedreiging van de persvrijheid, die voor de democratie zo belangrijk is”. Of de demonstranten hun mond maar even met groene zeep willen uitspoelen en voortaan wat meer historisch besef willen tonen.

We liegen niet, we maken wel fouten, erkende een commentator van de Tagesspiegel namens de journalistiek in het algemeen. Maar, voegde hij er met gevoel voor de biercultuur van zijn land aan toe: het gebod om de waarheid te schrijven is en blijft het ‘Reinheitsgebot des Journalismus’.

Daar heeft hij gelijk in. Maar dat is niet het hele verhaal. Want hoe overdreven, onheus en historisch beladen de woordkeus van de Pegida-betogers ook is, hun wantrouwen jegens de pers is niet helemaal ongegrond. Veel media, en trouwens ook veel politici in Duitsland, hebben moeite om Pegida en haar aanhang serieus te nemen. En om te horen wat de meerderheid van deze mensen zegt en bedoelt.

Ze betogen tegen islamisering, maar dat maakt ze nog niet tot racisten en zelfs niet per se tot bestrijders van de islam – al hebben veel Duitse media dat er wel van gemaakt. Tegen de achtergrond van de Duitse geschiedenis mogen deze marsen verontrustend zijn, en er lopen ook zeker ongure types mee. Maar uit reportages van Nederlandse journalisten blijkt dat een algehele onvrede met de politiek, en inderdaad ook met de media, zeker zo’n belangrijk motief is als angst voor de opkomst van de islam.

Verder willen de demonstranten dat de toestroom van immigranten (meer dan 400.000 per jaar) vermindert. Daar kan je over twisten, maar zo’n standpunt verdient een serieuze benadering door de pers - én de politiek. Angela Merkel verweet de betogers dat ze ‘kilte, ja zelfs haat in hun harten’ hebben. De minister van Justitie noemde de demonstraties ‘een schande voor Duitsland’. Veel Duitse media lijken het daarmee eens te zijn.

Maar Pegida bepleit niet de sluiting van alle moskeeën of de ‘de-islamisering’ van het land, zoals de PVV wél doet. Ze gaat veel minder ver. Door de Pegida-aanhang buiten de politieke orde te plaatsen, het debat te smoren en hun woorden tot ‘onwoorden’ te verklaren, dreigt Duitsland deze mensen juist verder de kant van Wilders op te drijven.

Tijdens de eurocrisis verdedigde Merkel haar beleid met het argument dat het ‘Alternativlos’ was - een andere mogelijkheid was er domweg niet. Alternativlos werd het Unwort van 2010. Met goede reden, want het is een woord om het debat mee uit de weg te gaan. Dat gebeurt nu in Duitsland opnieuw.