Opinie

Zijn we dan al die jaren afgeperst?

Een prisoner’s dilemma, zo werd de situatie op de internationale oliemarkt hier afgelopen zaterdag genoemd. Geen land durft de productie terug te schroeven, uit angst dat andere dat laten. Want als je als enige ‘bekent’ dan ben je zwaar de pineut: de prijs blijft laag, én je hebt minder productie.

„Prisoners’ dilemma?”, was daarna de vraag op Twitter. „Andere mensen noemen dat gewoon een vrije markt.”

Daar lijkt het inderdaad wel op, zij het dat we één ding nog niet weten: is dit daadwerkelijk het einde van het Opec-kartel? En was, of is, het wel een kartel? Ging het hier eigenlijk al die tijd niet vooral om Saoedi-Arabië: het land met de grootste productie, de grootste reservecapaciteit en het beste vermogen om die productie snel te variëren?

De gebeurtenissen die het afgelopen half jaar de olieprijs met 60 procent hebben doen kelderen, tot 47 dollar vanmorgen, zijn vooral toe te schrijven aan de Saoedische weigering om de productie in te krimpen. Zeker: de vraag in de wereldeconomie moet fors zijn afgenomen, en dat is verontrustend. Maar een effectief Opec-kartel, met de Saoedi’s als belangrijkste factor, zou een bijbehorende prijsval van olie wellicht beter hebben getemd.

Nu duikt een interessante vraag op: als Opec een effectief kartel was, en nu niet meer, hebben we dan decennialang, zeg: sinds 1973, niet veel te veel betaald voor olie? Is er al die jaren een veel te grote geldstroom op gang gehouden van de industrielanden naar de olieproducenten? Zijn we, in wezen, afgeperst?

Een alternatieve geschiedenis, zonder effectieve Opec, is moeilijk te schrijven: het aantal variabelen is veel te groot. Minder hoge prijzen hadden wellicht gezorgd voor méér economische groei in het Westen, maar ook voor een hoger gebruik van fossiele brandstoffen, omdat de prijsprikkel om zuiniger te zijn of alternatieven te zoeken minder groot was geweest. Nóg meer vervuiling, ook. En olie was in dat geval misschien eerder ‘op’ geweest, of duurder te produceren naarmate de winning op exotischer plekken, of met duurdere methoden, moest plaatsvinden. Waarna de zoektocht naar alternatieven abrupter en pijnlijker was geworden. In de tussentijd: geen wolkenkrabbers in Dubai, geen duizenden prinsen in dure auto’s. Geen grootschalige financiering van radicale groepen. Meer rust in het Midden-Oosten?

Misschien zou het allemaal niet heel veel anders zijn geweest. De productiekosten van olie variëren van 20 dollar in het Midden-Oosten tot tegen de 100 dollar voor teerzanden. Maar dat is op kasbasis. Als rekening moet worden gehouden met herinvesteringen in toekomstige productie, dan komen er zo 20 dollar bovenop. Er is dus gewoon een ‘vloer’ voor de olieprijs. Lager kan deze niet langdurig zijn.

Kijk naar de projecten die oliemaatschappijen nu al in de ijskast zetten. Dat is een verlies aan toekomstige productie. Kijk naar de begrotingstekorten en beginnende financiële nood in landen als Rusland. Die gaat ten koste van investeringen en onderhoud. De wal keert vroeg of laat het schip.

En bovendien: als dit inderdaad een Saoedische poging is om de Amerikaanse schalieproductie dwars te zitten, dan is die poging uitermate succesvol. Opec heeft ruwweg een derde van de wereldwijde olieproductie. Saoedi-Arabië heeft daar weer ruwweg een derde van. Denk aan een extreme Heineken-variant: effectieve controle met een minderheidsaandeel.

Olie heeft gezorgd voor grote privileges bij de belangrijkste producent. De gebeurtenissen van nu kunnen even goed een effectieve tactiek zijn om die privileges te behouden. Met een nogal bruut gebruik van de marktmacht. Die hier in de toekomst misschien alleen maar groter door wordt.