Waarom vragen Afrikanen niet wat meer aandacht?

Er is meer dan genoeg leed in Afrika. Maar Afrikanen gaan niet massaal de straat op om te klagen. Afrika-correspondent Koert Lindijer vertelt waarom.

Onder een heldere sterrenhemel in de bush roosteren jonge krijgers van het Samburuvolk in Noord-Kenia een schaap. Eén van hen brandt zijn vinger en daarom steekt hij deze nog een keer in het vuur. Om een dikkere korst op de wond te krijgen. Ieder heeft zijn eigen pijngrens.

Een krijger vertelt over de dood gisteren van een alom geliefde oude vrouw. Niemand in de groep toont emoties. „Het is de tijd voor die leeftijdsgroep om te vertrekken”, merkt een jongen droogjes op en hij werpt een bot naar een troep vechtende honden. Gevoelens over dood en geweld zijn overal anders. Vorige week overleed zonder klaagzang een klein kind na de val van een kameel en tijdens het vorige droge seizoen stierven acht jongens toen ze koeien gingen stelen bij een naburige stam. Niemand noemt de namen van de overledenen, daarop rust een taboe.

De Samburu’s leven op een savanne geteisterd door periodieke droogtes, met nauwelijks wegen en scholen, ze drinken water uit kuilen die ze delen met olifanten en vee, in een bestaan zonder elektrisch licht en mechanisch geluid. Deze schrale streken dwingen een harde, archaïsche levenswijze af.

Hier gelden strikte omgangsvormen, zonder tolerantie voor afwijkend gedrag. De inwoners zijn moeilijk en moedig, trots en zelfingenomen, meedogenloos en vriendelijk. Ze groeperen zich in clans, die bloedvetes met concurrerende clans decennialang in ere houden met dolken en speren. Mannen slapen een alerte herdersslaap. De dood is altijd aanwezig in dit harde leven en geweld is niet zozeer een misdaad als wel een soort religie.

De woestijnen van Algerije en Zuid-Libië, de boom- en grassavannes van de Sahel en Noord-Nigeria, de witgeblakerde zandvlaktes van Somalië: deze wildernissen blijken ideale broeinesten voor rechtlijnige terroristen. De strijders met een heilig vuur leerden de dood niet te vrezen maar met eer en trots hun laatste adem uit te blazen in het brandende zand. Ze zaaien nu terreur in steden en landgebieden.

Sinds de burgeroorlog in Algerije met islamitische radicalen in de jaren negentig en de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania in 1998, is terrorisme van eigen bodem een van Afrika’s grootste problemen.

In hun klimatologisch vriendelijkere woongebieden ontwikkelden boeren en stedelingen een incasseringsvermogen; ze raakten gehard voor de wandaden begaan door strijders uit de ruwe streken.

Bij tientallen aanslagen door de Somalische terreurgroep Al-Shabaab vielen honderden doden in Kenia. In de Somalische hoofdstad Mogadishu werden sinds 1992 meer dan vijftig journalisten vermoord. In Nigeria loopt het aantal burgerdoden in de duizenden.

Bij wie zou een burger over zijn angst en woede kunnen klagen, zoals miljoenen deden in Parijs? Niet bij de haperende staatsinstellingen en arrogante politici. Om uit naam van de humaniteit een soort medeleven te tonen met de slachtoffers zijn Afrikaanse politici en regeerders niet geschikt. In Parijs werd het hart van de democratie geraakt. De meeste Afrikaanse leiders hebben geen hart voor het volk.