Prostituees help je niet met valse claims over dwang

Die schokkende cijfers komen van instanties die slecht onderzoek doen en morele oordelen vellen, aldus Marijn Siebel en Laurens Buijs.

‘Als een stuk vlees geëtaleerd staan, maakt je psychisch in de war’, luidt de ronkende kop van een interview met Jojanneke van den Berge in Opzij. Ze loopt daarin vooruit op haar programma Jojanneke in de prostitutie, waarvan de EO dinsdag de tweede aflevering uitzond. Ze is een van de vele moraalridders die zich op het prostitutiedossier werpt. In hun ogen onlosmakelijk verbonden met dwang en uitbuiting.

Op die logica bouwde Lodewijk Asscher in zijn jaren als Amsterdamse wethouder zijn omvangrijke beleidspakket genaamd ‘Project 1012’. Daarmee bracht hij het aantal raambordelen drastisch terug. Gert-Jan Segers (ChristenUnie) gebruikt deze logica in Den Haag, waar hij heerst over het prostitutiedossier. En deze logica zat ook verscholen in documentaires op de publieke omroep, bijvoorbeeld die van Evelien Hölsken met de tendentieuze titel Sexslavinnen (NTR).

Sekswerkers zelf verzetten zich echter tegen deze logica. ‘Prostituees woedend over nieuw programma Jojanneke’, kopte Showniews na het verschijnen van Opzij. Oud-prostituee Metje Blaak noemt de uitspraken van Van den Berge „niet eerlijk” en „niet waar”, en stelt dat de vrouwen op de Wallen zich afvragen waar haar grote uitspraken op gebaseerd zijn. Ook op het blog waar de Roemeense sekswerker Felicia Anna een kijkje achter de schermen van haar werk op de Wallen geeft, wordt uitvoerig beargumenteerd dat haar negatieve claims „vals” zijn. In deze discussies speelt de wetenschap elke keer een doorslaggevende rol. „In de raamprostitutie alleen al werkt volgens het Openbaar Ministerie 70 procent van de vrouwen onder een vorm van dwang”, stelt Van den Berge in Opzij op grond van een interview met de landelijke officier van justitie mensenhandel. Op het blog van Felicia Anna zijn echter de laatste rapporten van het OM erbij gezocht. Daar is niets te vinden over 70 procent gedwongen prostitutie. Om dergelijke pijnlijke confrontaties te vermijden heeft de Amsterdamse burgemeester Van der Laan besloten om voortaan te verklaren dat het aandeel gedwongen sekswerkers „tussen tien en negentig procent” ligt, en legitimeert hij ‘Project 1012’ door te stellen dat „zelfs één geval al voldoende is om te handelen”.

Hoewel de wetenschappelijke cijfers in het debat over gedwongen prostitutie worden verwelkomd om hun vermeende onomstredenheid, blijken ze in werkelijkheid verwarring te zaaien. Dat beeld werd onlangs bevestigd op een bijeenkomst van de Universiteit Utrecht. Experts van politie, Justitie en OM hoopten daar van wetenschappers te horen hoe het nou echt zit met die gedwongen prostitutie. Maar helaas, de speciaal voor de gelegenheid ingevlogen hoogleraar criminologie Ronald Weitzer (George Washington University), internationaal erkend expert, liet geen spaan heel van de grote claims. Hij beargumenteerde dat de claims die politici, beleidsmakers en wetenschappers doen over gedwongen prostitutie gebaseerd zijn op slecht uitgevoerd onderzoek. Basisfouten als het samenvoegen van incompatibele datasets, het verwarren van verdachten en veroordeelden en inconsequente definities zijn eerder regel dan uitzondering. Weitzer verpulverde de rapporten die wereldwijd worden aangehaald. Er is volgens hem dringend behoefte aan gegevensverzameling direct op de werkplek van de prostituee. In zijn laatste rapport toont de Nationaal Rapporteur Mensenhandel zich ervan bewust dat populaire cijfers uit rapporten met spectaculaire claims over mensenhandel vaak weinig om het lijf hebben en dat zij „niet gebruikt kunnen worden bij het inrichten van beleid tegen mensenhandel”. Omdat de rapporteur niet in dezelfde val wil trappen, worden fundamentele kanttekeningen bij eigen cijfers geplaatst.

Ten eerste: de totale omvang van mensenhandel is op basis van bestaande gegevens niet te schatten. Cijfers komen van verschillende instanties die elk hun eigen definities en registratiemethodes hanteren. Mensenhandel wordt dus niet eenduidig gedefinieerd. Aan de ene kant wordt niet alle mensenhandel opgespoord, aan de andere kant bestaan de cijfers voor een belangrijk deel uit onduidelijke gevallen „die al bij het geringste signaal kunnen zijn gemeld”. Ten tweede wordt ook de betrouwbaarheid van de cijfers over het aandeel prostitutie in de mensenhandel in twijfel getrokken. Mensenhandel vindt lang niet alleen plaats binnen de prostitutie maar is onder meer een gevolg van structurele economische ongelijkheid op mondiaal niveau. Mensenhandel komt ook voor bij vele andere vormen van arbeid, zoals tuinbouw of fabriekswerk. Volgens de wet hoeft er alleen bij prostitutie geen dwang of uitbuiting geconstateerd te zijn om toch als mensenhandel gecategoriseerd te worden. Dat leidt ertoe dat mensenhandel in de prostitutie per definitie meer aandacht krijgt in statistieken dan andere vormen van mensenhandel.

Jojanneke van den Berge zal geen antwoord kunnen geven op de vragen die ze zichzelf stelt. De huidige cijfers worden met wetenschappelijke autoriteit gepresenteerd als onomstreden, maar zijn in werkelijkheid niet gebaseerd op ervaringen van sekswerkers, maar op (vaak moreel ingegeven) ideeën van beleidsmakers en politici. Zolang de wetenschap wordt voorgesteld als een plek van zekerheid in plaats van discussie, zal over de over de aard en omvang van gedwongen prostitutie geen zinnig woord gezegd kunnen worden. De moraalridders die de bestaande cijfers gebruiken om sekswerkers in een slachtofferrol te duwen doen daarom meer kwaad dan goed: zij hinderen de kritische reflectie op de huidige kennisvergaring.