‘Met Charlie, kom snel, ze zijn allemaal dood’

Op woensdag 7 januari is Sigolène Vinson op de redactie van Charlie Hebdo. De jonge vrouw, die juridische columns schrijft, herinnert zich nog ieder detail van de ochtend waarop het lachen verstomde. „Terwijl ik over de grond kruip, hoor ik schoten. Ik weet zeker dat ik zal sterven.”

Voor haar op tafel ligt het boek waar Sigolène Vinson op dat moment in bezig is: La faute de l’abbé Mouret, van Emile Zola, het verhaal van een priester die wordt verscheurd tussen zijn religieuze roeping en zijn liefde voor een vrouw. Even na tien uur op woensdag 7 januari heeft iedereen elkaar omhelsd en een gelukkig nieuwjaar gewenst. Op die dag komt de redactie van Charlie Hebdo voor de eerste vergadering van 2015 bij elkaar. Het is ook de verjaardag van Luz, een van de cartoonisten. Sigolène, die altijd voor iets lekkers zorgt, heeft bij de bakker op de hoek een gemarmerde cake gehaald.

De jonge vrouw, die juridische columns in het satirische weekblad schrijft, herinnert zich nog ieder detail van die ochtend waarop het lachen verstomde. Ze ontvangt ons op het kantoor van Libération, waar de overlevenden van Charlie Hebdo sinds vrijdag worden opgevangen om het volgende nummer te maken, dat gisteren uitkwam. Er glijdt een flauwe glimlach over haar sombere gezicht. Tien vrienden zijn woensdag voor haar ogen vermoord. Zij is gespaard gebleven. In een woordenstroom die nu en dan wordt onderbroken door stiltes, een lach en traan, wil ze getuigen, vertellen waar Charlie Hebdo voor stond, de levensvreugde en de doden.

Als ze die dag met haar taart binnenkomt, begroet ze Angélique, de receptioniste wier bureau recht tegenover de ingang staat. Links van haar, met zijn rug naar de gepantserde deur, zit Simon Fieschi, de webmaster. In het keukentje zet Tignous koffie. Zoals vaak zijn er ‘gasten’ op de redactie aanwezig. Michel Renaud komt tekeningen terugbrengen die Cabu hem heeft geleend voor een festival waarvan hij de oprichter is (Rendez-vous du carnet de voyage). Hij heeft een grote ham bij zich.

Lila, de kleine bruine cocker spaniël van de krant, dribbelt van de een naar de ander. Met een speciale voorkeur voor Cabu, vooral als er ham is, „want die geeft zijn stuk altijd aan de hond”. Sigolène Vinson praat zowel over de levenden als de doden in de tegenwoordige tijd. Philippe Lançon, die te laat was, loopt binnensmonds te mopperen, omdat er niet genoeg exemplaren van Charlie zijn voor iedereen. Van alle kanten worden schuine grappen gemaakt die zijn slechte bui al snel verjagen: de redactievergadering is begonnen.

Charb zit als altijd te krabbelen

Rond de grote rechthoekige tafel zitten van links naar rechts vanaf de deur gezien: Charb, Riss, Fabrice Nicolino, Bernard Maris, Philippe Lançon, Honoré, Coco, Tignous, Cabu, Elsa Cayat, Wolinski, Sigolène Vinson en Laurent Léger. De gast, Michel Renaud, zit op een stoel in de hoek. Luz en Catherine Meurisse, een andere cartooniste, zijn te laat. Zineb El-Rhazoui, een jonge verslaggeefster, is op vakantie in Marokko, en hoofdredacteur Gérard Biard zit in Londen. Antonio Fischetti, wetenschapsjournalist, is naar de begrafenis van zijn tante. En Willem houdt niet erg van redactievergaderingen.

Charb rijgt zoals altijd de ene woordspeling aan de andere en krabbelt op blaadjes van de spoorwegen. „Hij tekende altijd”, vertelt Sigolène Vinson terwijl er even een glimlach over haar gezicht glijdt. „Zijn spoorwegvelletjes waren geweldig. Ik bewonderde de manier waarop hij altijd alles een andere wending wist te geven. Al zijn tekeningen gaven ogenblikkelijk de discussies aan tafel weer.”

Die dag gaat de ‘discussie’ over Soumission, de nieuwste roman van Michel Houellebecq, waaraan de voorpagina zal worden gewijd. Er wordt gesproken over literatuur, racisme, Eric Zemmour, de anti-islamdemonstraties in Duitsland. Sommigen nemen het op voor Houellebecq, anderen maken zich zorgen om de ‘opkomst van het fascisme’ in de samenleving. Sommigen praten, anderen luisteren. Sigolène Vinson, die rechts van de deur naast Laurent Léger zit, zegt zoals altijd weinig.

Econoom Bernard Maris, die tegenover haar zit, vraagt hoe zij erover denkt. Ze glimlacht verlegen en staat op om koffie in te schenken. „Op dat moment, daar in het keukentje, voelde ik me intens gelukkig. Ondanks de herrie achter me en de soms verhitte discussies besefte ik hoeveel geluk ik had dat ik deel uitmaakte van de redactie en deze mensen kende die zo grappig, zo intelligent en zo aardig waren…”

Als ze terugloopt naar de anderen ziet ze dat Philippe Lançon zijn jas aantrekt, zijn muts opzet en zijn rugzak omhangt. Iemand maakt een woordgrap. De laatste die dag. „Ze hadden het over ‘susmentionné’ [bovengenoemd] of zoiets, in elk geval zat er ‘suce’ [pijpen] in. Charb roept naar Philippe: ‘Die grap is bedoeld om te zorgen dat je blijft.’”

We horen ‘pop pop’

Dan staat redactiesecretaresse Luce Lapin op om voor een andere opdrachtgever een speciaal nummer over draagmoederschap te gaan corrigeren. Ze staat al met één been in haar werkkamer, die ze deelt met Mustapha Ourrad, de van oorsprong Algerijnse corrector die al decennia lang in Frankrijk woont en nu net eindelijk de Franse nationaliteit heeft gekregen. Hun werkkamers zijn slechts door een glazen deur van de redactieruimte gescheiden.

Op dat moment „hoorden we twee keer ‘pop’. Het klonk als ‘pop pop’”. In een bijeenkomst van cartoonisten die gewend zijn tekstwolkjes te bedenken, klinken schoten allicht als ‘pop pop’. Twee kogels hebben de longen doorboord van Simon Fieschi, 31 jaar, de webmaster die de stortvloed aan beledigingen die de redactie al jaren overspoelen moet opvangen. Als je het gebouw binnengaat, is zijn werkkamer de eerste die je tegenkomt. Fieschi is het eerste slachtoffer van de wraakactie van de broers Kouachi. Hij wordt later zwaargewond, in kritieke toestand, naar het ziekenhuis gebracht.

In de redactieruimte klinkt wat geroezemoes. „Luce vroeg of het rotjes waren. Iedereen vroeg zich af wat het was.” Ze ziet Franck Brinsolaro, een van de agenten die Charb moesten beveiligen, opstaan van zijn bureau in de hoek. „Zijn hand gleed over zijn heup, alsof hij zijn wapen zocht. Hij zei : ‘Begin niet allemaal door elkaar te lopen.’ Bij de deur leek hij even te aarzelen. Ik ben snel op de grond gaan liggen. ‘Pop pop’ bij Charlie, dat zijn geen rotjes.”

De jonge vrouw kruipt over de vloer naar de werkkamer van Luce en Mustapha aan het andere eind. Ze hoort de deur van de redactieruimte ‘springen’ en een man schreeuwen ‘Allahu akbar’. En dan de vraag ‘Waar is Charb?’ „Terwijl ik over de grond kruip, hoor ik schoten. Ik wil me niet omdraaien om de dood niet in de ogen te kijken. Ik weet zeker dat ik zal sterven. Ik kruip en heb pijn in mijn rug. Alsof iemand me in mijn rug heeft geschoten.” Ze is door geen enkel schot geraakt.

Verscholen achter een muurtje

Terwijl de kogels door de ruimte vliegen slaagt ze erin de werkkamer van Mustapha en Luce te bereiken en zich iets verderop te verbergen achter een muurtje dat de ruimte scheidt van die van de opmakers. Laurent Léger, haar buurman aan tafel, heeft onder het bureau van de politieman weten te kruipen.

Met haar rug tegen het muurtje ziet de jonge vrouw dat Jean-Luc, de opmaker, zich ook onder zijn bureau heeft verschanst. Ze hoort wat er gebeurt maar ziet niets. „Er was geen geweersalvo. Ze schoten kogel voor kogel. Langzaam. Niemand schreeuwde. Iedereen moet verbijsterd zijn geweest.”

Daarna werd het stil. „Ik kende de uitdrukking ‘doodse stilte’…”, zegt ze. „Stilte, en een kruitgeur.” Sigolène Vinson ziet niets. Verschanst achter het muurtje hoort en voelt ze de dood. Dan hoort ze voetstappen naderbij komen.

Ze doet het voor. Opnieuw klinken schoten. „Ik begrijp dat het Mustapha is.” Daarna ziet ze het ook. „Ik zag zijn voeten op de grond.” De voetstappen komen dichterbij. Een van de schutters, „die eruitziet als iemand van de ME”, loopt langzaam om het muurtje heen en richt zijn wapen op haar. Hij draagt een zwarte bivakmuts.

‘Je moet de Koran gaan lezen’

„Ik keek hem aan. Hij had grote donkere ogen, een vriendelijke blik. Ik voelde dat hij even aarzelde, alsof hij naar mijn naam zocht. Mijn hersens draaiden op volle toeren, ik dacht razendsnel na. Ik begreep dat hij Jean-Luc onder zijn bureau niet had gezien.” De man die ze in de ogen kijkt, heet Saïd Kouachi. Hij zegt : „Wees maar niet bang. Rustig maar. Ik zal je niet doodschieten. Je bent een vrouw. Wij doden geen vrouwen. Maar denk goed na over wat je doet. Wat je doet, is slecht. Ik spaar je en omdat ik je spaar, moet je de Koran lezen.” Ze herinnert het zich nog woord voor woord.

Terwijl ze de moordenaar strak aankijkt, begint ze in haar hoofd een gesprek met hem. Haar gedachten komen als vanzelf. „Ik vroeg me af waarom hij dat tegen me zei. Ik dacht dat mijn juridische columns leuk waren. Ik vond het nogal wreed van hem om te zeggen dat ik niet bang hoefde te zijn. Hij had net iedereen vermoord en richtte zijn wapen nu op mij. Ik vond het onrechtvaardig. Onrechtvaardig om te zeggen dat wat we deden slecht was, terwijl wij juist gelijk hadden. Hij was degene die het mis had. Hij had het recht niet om dat te zeggen.”

Tijdens hun woordeloze gesprek blijft ze haar aanvaller aankijken. „Ik maak een hoofdbeweging. Om contact met hem te houden. Misschien probeer ik onbewust medelijden bij hem op te wekken. Ik wil dat hij naar mij blijft kijken, omdat Jean-Luc onder de tafel zit, hij heeft hem niet gezien, en al doodt hij dan geen vrouwen, hij doodt wel mannen.”

In de redactieruimte, waar Chérif Kouachi, de jongere broer van Saïd, zich bevindt, is een vrouw vermoord: Elsa Cayat, psychologe en columniste bij Charlie. Saïd Kouachi draait zich om naar de grote ruimte en roept: „Wij doden geen vrouwen.” Tot drie keer toe. „Op dat moment weet ik nog niet dat Elsa dood is”, zegt Sigolène Vinson. „Noch dat Cécile, Luce en Coco zich in een andere kamer hebben verschanst.”

„Wij doden geen vrouwen!” roept Saïd. Daarna verdwijnt hij. Sigolène Vinson verliest het contact met „die grote vriendelijke ogen” die de bivakmuts vrijlaat. Op een bepaald moment, ze weet niet goed meer wanneer precies, loopt ze naar het raam om te springen, tot ze bedenkt dat het „te hoog” is. „Ik ben bij Jean-Luc gekropen, we waren sprakeloos. We wisten niet of ze weg waren.” In de verte klinken schoten, ergens op straat. „Ik hoorde Lila langs Mustapha dribbelen.” Ze imiteert de dribbelpasjes van Lila. In haar herinnering aan een moment waarop al je zintuigen tot het uiterste gespannen zijn, holde de hond tijdens de slachting van bureau naar bureau.

Er gaat een hand omhoog

Sigolène loopt terug naar de redactieruimte. Ze herinnert zich „de horror”. „Ik zie de lichamen op de grond liggen. Dan zie ik Philippe, de onderkant van zijn gezicht weggeschoten, die naar me gebaart. Er liggen twee lichamen over hem heen. Het is te verschrikkelijk.” Ze zwijgt even voor ze met verstikte stem vervolgt: „Hij probeerde iets tegen me te zeggen, maar zijn rechterwang was weggerukt… Ik zei dat hij niet moest praten. Ik kon niet naar hem toe. Ik kon zijn hand niet vasthouden. Het lukte me niet om hem te helpen. Het was te erg.” Philippe Lançon, die niet meer in levensgevaar verkeert, heeft een kogel in zijn rechterwang gekregen.

Alle doden zijn gevonden met hun gezicht omlaag. Sigolène stapt over de lichamen van Cabu, Elsa, Wolinski en Franck, de politieagent, om haar telefoon uit haar jaszak te halen. Ze belt de brandweer. Het gesprek duurt 1 minuut en 42 seconden. „Met Charlie, kom snel, ze zijn allemaal dood.” De brandweerman vraagt: ‘Hoeveel lichamen?’ Ze wordt boos en noemt hem een klootzak. De brandweerman vraagt naar het adres van Charlie Hebdo. Ze weet het niet meer. „Ze zijn allemaal dood!” herhaalt ze maar steeds.

Achterin de ruimte gaat een hand omhoog. „Nee, ik ben niet dood.” Het is Riss. Hij ligt op zijn rug en is in zijn schouder geraakt. Naast hem gebaart Fabrice Nicolino naar Sigolène Vinson dat ze hem moet helpen. Hij is in benen en buik geraakt en zit midden in een plas bloed. „Het is verschrikkelijk om te zeggen, maar omdat zijn verwondingen minder zichtbaar waren dan die van Philippe, was het voor mij makkelijker om hem te helpen. Hij vroeg om iets koels voor op zijn gezicht, ik heb hem een natte theedoek gegeven. Daarna wilde hij een glas water. Ik wist niet dat je iemand in zulke omstandigheden geen water mag geven en ben in de keuken een plastic champagneglas gaan vullen. Hij verloor veel bloed. Toen hij voelde dat hij het bewustzijn begon te verliezen, vroeg hij me om tegen hem te blijven praten.”

Elke tel duurt een eeuwigheid

Haar familie, die inmiddels van het drama heeft gehoord, begint haar te bellen. „Zodra ik opnam, begon ik onsamenhangend te schreeuwen. Riss vroeg me om kalm te blijven. Nadat ik had opgehangen, werd ik rustiger en kwam ik weer tot mezelf.” Coco komt de redactiekamer binnen. Ze holt naar Philippe om hem te helpen. „Dat luchtte me op”, bekent Sigolène Vinson, „mij lukte het niet.”

Elke seconde lijkt een eeuwigheid te duren. Het wachten op de hulpdiensten duurt lang en is onverdraaglijk. „Plotseling verscheen er een in het zwart geklede vrouw in de redactieruimte. Ze was heel aardig. Later hoorde ik dat ze op dezelfde verdieping aan de andere kant van het portaal werkte. Haar ogen puilden uit. ‘Verschrikkelijk, verschrikkelijk’, riep ze met haar hand voor haar mond. Ze wilde helpen, maar kon het niet.”

Dan verschijnt Patrick Pelloux in de deuropening. „Ik zag dat hij zich over het lichaam van Charb boog en in zijn hals zijn polsslag opnam. Daarna streelde hij hem over het hoofd en fluisterde : ‘Mijn broer’.” Ze hapert even en herhaalt dan: „Hij zei ‘mijn broer’ tegen hem.” En nog eens met door tranen verstikte stem: „Mijn broer…”

De jonge vrouw herinnert zich dat haar daarna werd gevraagd de ruimte te verlaten. Ze werd meegenomen naar ‘het aquarium’, de ruime werkkamer met de grote ramen van Zineb, Laurent Léger en Gérard Biard. „Ik zie Luz, ik begrijp niet wat hij daar doet, want hij was niet op de redactievergadering. Ik ben volkomen de kluts kwijt. Dan zie ik Laurent Léger, dat begrijp ik ook niet, want die was er wel. Ik ben dolgelukkig. Dan komt de brandweer binnen en daarna Riss. En ik zie Cécile, Coco en Luce. Pas dan dringt tot me door dat sommigen het er levend vanaf hebben gebracht. Dat alle vrouwen, behalve Elsa, nog leven.”

Luz, die te laat was voor de redactievergadering, heeft een driekoningenbrood meegenomen. De gemarmerde cake van Sigolène Vinson is uit elkaar gevallen. Lila, de bruine cocker spaniël, bleef maar van tafel naar tafel rennen. De jonge vrouw zoekt naar woorden. Ze kan het niet vatten. „Er werd op die redactie alleen maar gelachen, iedereen was aardig. Iedereen was even vriendelijk en zachtmoedig. Cabu en Wolinski, die echt zo ongelooflijk aardig waren… ik begreep het niet…”