Lachen om tics, mogen we dat?

Even grappig als verwarrend. De als televisieserie vermomde, vierdelige speelfilm P’tit Quinquin van Bruno Dumont. Het is even een zit, maar aan de andere kant is 200 minuten een peulenschil voor de hedendaagse ‘bingewatcher’. Bovendien moet je, zoals bij zoveel ‘slow television’, even in het ritme van deze subversieve en bewust niet-enerverende politieserie komen. Bovendien: de totaalshots van Dumont werken het best op een filmdoek.

Je zou P’tit Quinquin kunnen omschrijven als een geperverteerde variant op de politiekomedies. Dumont neemt ons mee naar zijn geliefde Noord- Franse Opaalkust. Daar moet inspecteur Van der Weyden een reeks mysterieuze moorden proberen op te lossen. Van der Weyden is een soort Groucho Marx met Tourette: de zenuwtics waar acteur Bernard Pruvost ons op trakteert werken nu eens als slapstick en zijn dan weer ondraaglijk Zoals gebruikelijk castte Dumont ook voor P’tit Quinquin weer locals, bij voorkeur mensen die door een tic, een handicap, een eigenaardigheid ontsnappen aan het gebruikelijke schoonheidsideaal. In P’tit Quinquin is er met iedereen wel iets aan de hand. Mogen we erom lachen? De schoonheid zien? Wie sluit wie uit met zijn normen en waarden? Het zijn existentiële en zelfs politieke vragen. Maar door hun luchtigheid voeren ze zelden de boventoon.