Khan en Galván op zoek naar de oerknal van de dans

Kathakmeester Akram Khan en flamencovirtuoos Israél Galván overwonnen hun tegenstellingen en maakten samen de voorstelling ‘Torobaka’. „We hebben heel wat moeten onderhandelen hoor.”

Foto Jean-Louis Fernandez

Naast elkaar staan ze. Op het linkerbeen, rechtervoet in linkerhand, de rechterarm gebogen, hand voor de borst. Bijna even lang, zelfde houding, maar hoe verschillend! Kathakmeester Akram Khan (40) een en al rust, perfect in evenwicht, kaarsrecht en exact geplaatst. Flamencovirtuoos Israél Galván (41) in een dynamische balans, voorover hellend, met een afzakkende knie en een rusteloos zoekende arm.

Balans versus chaos, zo typeert Khan zijn samenwerking met Galván in de voorstelling Torobaka, onderdeel van de Flamenco Biënnale. Die tegenstelling was voor de artistiek directeur Cesc Casadesus van theater Mercat de les Flors in Barcelona, waar Galván artist in residence is, reden om de twee grootheden bij elkaar te brengen. Het bleek een forse uitdaging voor de Brits-Bengaalse Khan.

Zijn ervaringen met onder anderen dansmulticulturalist Sidi Larbi Cherkaoui, balletdiva Sylvie Guillem en filmster Juliette Binoche kwamen daarbij goed van pas: allen kunstenaars met karakter. Met hen stond hij als topact op alle belangrijke internationale podia. Garanties dat het met de Spanjaard Galván ook zou lukken, waren er niet, maar de bedaarde, evenwichtige Khan lijkt zachte krachten in wervelstorm Galván te hebben losgemaakt.

Overleven

Khan kende Galván alleen van naam voor ze samen de studio in doken. Eén bezoek aan een soloprogramma van de flamencodanser was genoeg om hem te overtuigen. „Vroeger was ik dol op flamenco, later vond ik het toch wat oppervlakkig. Maar de manier waarop Israél de traditionele flamenco overhoop haalt en deconstrueert, zonder zijn wortels in die dans te verloochenen – dat is van een kracht en een schoonheid...”

Volgens Casadesus zou Khan, die in Londen al jaren de verantwoordelijkheid voor een eigen gezelschap draagt, de enige zijn die een samenwerking met de compromisloze Galván zou overleven. Want ook al danste hij voor hij zijn opmars naar de flamencotop inzette bij een gezelschap, de geboren Sevillaan is ten diepste een solist. Bovendien is hij een danser die het toneel op stapt om te domineren.

Die ingebeitelde vechtersmentaliteit van de flamenco – samen te vatten als „Ik steek je overhoop”, aldus de Spanjaard – kon hij tegenover Khan snel loslaten. „Ritme werd onze gemeenschappelijke taal. Als we zaten te overleggen, deden we elkaar tikkend op het tafelblad voorstellen,” zegt Galván via tolk José in de artiestenfoyer van het Sadler's Wells Theatre, daags na de Londense première.

De man die op het toneel fascineert en imponeert met gedurfde, innovatieve projecten – zoals een integere flamencovoorstelling (Lo Real) over de vervolging van de zigeuners tijdens de Tweede Wereldoorlog – is in het dagelijks leven een mager, licht kalend en onopvallend ventje. Een beetje verlegen ook, mede als gevolg van een lichte stotter. „In het verleden”, vertelt hij, „danste ik voornamelijk met objecten, en om nu echt met een mens te dansen, op voet van gelijkwaardigheid, zonder competitie, is een grote verandering. Maar het was makkelijk. Eigenlijk hebben we heel snel gewerkt. Vaak was een blik genoeg.”

Khan, door drukke werkzaamheden alleen telefonisch bereikbaar, herinnert zich het creatieproces iets anders. „Nou...”, lacht hij, „we hebben heel wat moeten onderhandelen hoor. Het leek soms wel de Verenigde Naties.”

Aanknopingspunt voor hun samenwerking vormden uiteraard de raakvlakken tussen kathak en flamenco. De eeuwenoude, Noord-Indiase kathak, met zijn ritmische voetroffels en elegante armgebaren, is door nomadische Romani-stammen via het Midden-Oosten naar Zuid-Spanje getransporteerd, waar de dans een sterke invloed had op de ontwikkeling van de flamenco.

Bij aanvang van het repetitieproces stond één ding vast: die bloedverwantschap mocht onder geen voorwaarde tot een soort educatieve voorstelling of een verwaterde fusie van stijlen leiden. Ze besloten op zoek te gaan naar diepere lagen onder de in de loop der tijd geformaliseerde stijlen, naar het beginpunt, de „oerknal” van hun dans.

In Torobaka zetten zij hun eerste stappen op het toneel dan ook zonder de attributen die pas in de latere ontwikkeling onverbrekelijk verbonden zijn geraakt met kathak en flamenco: de enkelriemen met bellen (ghungroos) respectievelijk de met ijzers beslagen schoenen (zapatos).

„Ongewapend” ontmoeten zij elkaar, draaien om elkaar heen, beloeren de dansstijl van de ander, omhelzen elkaar als twee jongens die de taal van de ander proberen te begrijpen. En daar veel plezier aan beleven. Galván: „De eerste keer dat ik op het toneel iemand aanraak! We dansen op een heel ontspannen manier. Voor mij is flamenco een duistere dans, die veel met dood en verdriet te maken heeft. Ik kan nu ook met blijdschap flamenco dansen.” Hij heeft zich geoefend in het zingen van bols, de ritmische monosyllaben van de kathak.

Schoenen aan handen

Khan experimenteert met schoenen aan zijn handen. „Ik wilde bewust in zijn wereld treden”, verklaart Khan die keuze, „zonder ook maar een seconde de suggestie te wekken dat ik een flamencodanser ben of Israél zou kunnen imiteren, laat staan met hem concurreren. Kansloos. Onze vertrekpunten verschillen daarvoor te veel. Israél is een krijger, hij moet winnen. In mijn wereld is het toneel meer een virtuele tempel; kathak is een dans die naar de goden reikt.”

Galván is als het ware zélf een god op het toneel, een Shiva, vernietiger van het oude, schepper van het nieuwe. Hij maalt niet om wat het publiek van hem vindt. „Een kathakdanser is opgeleid met het bewustzijn dat hij danst voor goden en koningen. Dat staat mij enorm tegen; ik wil geen object zijn.”

Het gaat niet om het publiek, vindt Galván, maar om de ideeën, ook al is hij er vaak zelf niet van overtuigd of de beelden die hij creëert wel als „echte” dans, laat staan flamenco, kunnen worden beschouwd. Soms botsen zijn ideeën ook met de smaak van het publiek, zoals bleek bij de première van Lo Real, dat bij het conservatieve publiek in Madrid een klein schandaal veroorzaakte. Galván grijnst: „Flamenco is ook messen naar het publiek werpen.”

Opmerkelijk genoeg beweert de charismatische flamencovirtuoos zichzelf niet per se als danser te zien. Perfectie streeft hij niet na, en als hij geen reden ziet om te dansen, dan doet hij het liever niet. Zijn snode plan is om in India de bellenriem die hij in een solo laat meeresoneren met zijn voetroffels een flinke schop te geven. „Dan sturen ze me het land uit denk ik.” Khan moet lachen om die balorigheid: „Voor sommige kathakdansers is zoiets als spugen op Jezus Christus voor christenen. Voor Israél zijn die bellen niet heilig. Ze vertegenwoordigen de traditie, en die moet worden opgeschud.”

De Spaanse weerbarstigheid is de Brit uiteindelijk erg meegevallen. Galván heeft genoten van de repetities met Khan en is vol gulle, aandoenlijke bewondering. „Akram is magisch, een meester. Ik heb veel opgestoken, over choreografie, hoe je dingen in de ruimte zet. Hij heeft mij nieuwe instrumenten gegeven. Als ik een schilder was, zou ik zeggen dat ik nieuwe kleuren had ontdekt. Akram zit nu voor altijd in mij.”

Het mooiste, zegt hij, is dat Khan hem heeft laten zien dat hij niet altijd messen hoeft te werpen naar het publiek. „Ik weet nu dat je ook bloemen kunt gooien.”