‘Je moet hier een lange adem hebben’

Een vierdelige VPRO-serie volgt correspondent Thomas Erdbrink in Iran. Hij wil het westerse beeld van de islamistische dictatuur nuanceren.

Thomas Erdbrink in Teheran achterop de brommer van staatsdemonstrant‘Mister Bigmouth’: „Zelfs in onze slaap schreeuwen we: Dood aan Israël!”
Thomas Erdbrink in Teheran achterop de brommer van staatsdemonstrant‘Mister Bigmouth’: „Zelfs in onze slaap schreeuwen we: Dood aan Israël!” Foto’s VPRO

‘Zei jij nou net dat de ayatollah stom was? Dat kun je niet zeggen!” In de documentaire Onze man in Teheran wordt de Nederlandse correspondent Thomas Erdbrink op de vingers getikt door zijn Iraanse echtgenote. Erdbrink zegt verschrikt: „Nee, nee, dat bedoel ik niet…” Hij heeft net aan de interviewer van de VPRO uitgelegd dat de doorsnee gemakzuchtige westerse journalist genoegen neemt met de constatering dat de ayatollah stom is. Hij wil juist verder kijken, om te zien hoeveel ruimte in Iran bestaat tussen de islamitische politiek en het dagelijkse leven. Maar zijn vrouw blijft erbij: de woorden ‘ayatollah’ en ‘stom’ kun je niet in één zin gebruiken. Niet als de camera aanstaat.

Erdbrink, correspondent in Teheran voor onder meer NRC Handelsblad en The New York Times, is onderwerp van de vierdelige documentairereeks Onze man in Teheran (VPRO) van regisseur Roel van Broekhoven. Het programma wordt vanaf zondag uitgezonden en wordt ook getoond op de site van The New York Times. Net als collega Bram Vermeulen – die voor de VPRO in een soortgelijk programma over Turkije optrad – is Erdbrink in het tv-programma een enthousiaste verteller. En hij gebruikt zijn persoonlijke verhaal: zo speelt zijn eigen schoonfamilie een belangrijke rol. Bijzonder is vooral dat Erdbrink voor de kijker een gesloten land ontsluit dat voornamelijk bekend staat om zijn enge, repressieve regime. De documentaire biedt een zeldzame inkijk in het dagelijkse leven in Iran.

Dat ging niet zomaar. Erdbrink heeft vier jaar moeten lobbyen voor deze documentaire. „Je mag hier niet vrij reizen en vrij op straat filmen. Je hebt overal toestemming voor nodig. De regering wilde liever dat wij een film maakten over politiek, of over de mooie archeologische sites uit de oudheid. Ze zeggen nooit ‘nee’, ze zeggen: volgende week misschien.” Vorig jaar kreeg Erdbrink opeens toch toestemming. Waarschijnlijk omdat er een andere regering kwam: „De vorige wilde graag het beeld bevestigen van religieuze, fanatieke haat jegens het Westen. Deze regering wil meer laten zien dat Iran een gewoon land is.”

Erdbrink hekelt het clichébeeld van Iran: „Een agressieve natie waar fanatieke woestelingen de dienst uitmaken en iedereen in het openbaar wordt opgehangen”. Volgens hem is dat precies het beeld dat de Iraanse staat graag naar buiten brengt. Westerse journalisten schrijven dus wat de Iraanse regering wil. „Als je als westerse journalist toch zo begaan bent met vrijheid van meningsuiting, geef dan een autoritair regime niet de kans om het beeld te bepalen.”

Natuurlijk is er repressie, zegt Erdbrink. Maar dit is ook het land waar niets mag en alles kan: „Er is een langzame, sluipende revolutie gaande van de opkomende middenklasse die meer vrijheid eist. Sociale trends zijn belangrijker dan politieke. Natuurlijk, de hardliners zijn aan de macht, maar het dagelijks leven is anders. Voor de meeste Iraniërs zijn regels dingen waar je omheen moet plannen.” Als voorbeeld noemt hij een reportage voor The New York Times over drieënzestig shopping malls die onlangs in Iran zijn gebouwd, nota bene door de Revolutionaire Garde. „Terwijl officieel het consumentisme een westerse ziekte is’’.

Hoe kan Erdbrink werken in een staat die alles en iedereen in de gaten houdt? „Je moet vooral geduld hebben. Een lange adem. Ik kan alles schrijven, maar ik moet wel het juiste moment ervoor uitzoeken. Omdat ik een Iraanse schoonfamilie heb, weet ik ongeveer hoe de cultuur is, waar de gevoeligheden liggen.” Volgens Erdbrink moeten Iraniërs altijd rekening houden met het groepsbelang – is het niet de staat dan is het wel de familie – dus ze vragen zich doorlopend af: kan dit door de beugel? „Ik moet dus ook altijd op mijn woorden passen, altijd diplomatiek blijven. Niet eens zozeer voor mezelf, maar voor de mensen die met me werken of over wie ik schrijf. Die lopen veel meer gevaar.”

Erdbrink heeft een uitzonderingspositie in Iran. Hij zit er vijftien jaar, is een van de vier westerse correspondenten en de enige die werkt voor een Amerikaans medium. Andere westerse journalisten houden het nooit zo lang uit in Iran, en Iraanse collega’s krijgen te maken met vervolging. Zoals zijn Iraans-Amerikaanse collega Jason Rezaian van The Washington Post, die sinds 22 juli gevangen zit om onbekende redenen. Hoe kan Erdbrink zich wel handhaven? „Ik denk dat het helpt dat ik geen Iraans of Amerikaans paspoort heb. En dat de Iraanse staat ook baat heeft bij mijn aanwezigheid: zo kunnen ze net doen alsof ze een gewoon, internationaal land zijn, waar buitenlanders gewoon over mogen schrijven.”

Volgens Erdbrink fungeert hij ook als boodschapper: „Ze hebben een paar buitenlandse journalisten nodig om hun boodschap aan de wereld door te geven. Dan nemen ze op de koop toe dat ik wel eens dingen schrijf die hen niet bevallen. De VS hebben hier geen ambassadeur, dus als een Iraanse politicus, of de slager, iets tegen de Amerikaanse president wil mededelen, dan zeggen ze dat tegen mij: ‘Zeg maar tegen Obama dat…’”

Normaal wordt het nooit. Erdbrink zit na vijftien jaar nog altijd op een halfjaarvisum dat steeds moet worden verlengd. Als hij naar een andere stad wil, moet hij toestemming vragen. „En ik mag geen bankrekening hebben dus ik moet naar Dubai vliegen om geld te pinnen.”

Werkt zijn vrouw als Erdbrinks persoonlijke censor, die hem behoedt voor politieke uitglijders, zoals die over de ‘stomme’ ayatollah? „In het begin wel, maar ik ben hier al zo lang dat ik zelf wel weet wat de gevoeligheden zijn. Ik heb haar wel nodig om te weten wat er onder Iraniërs leeft. Ik probeer me te omringen met Iraniërs die zeggen: Thomas, je ziet het verkeerd.”