Charlie Hebdo toont belang bewaarplicht telecomgegevens

De bewaarplicht van internet- en telefoongegevens is geen symptoom van een informatiehongerige overheid, maar noodzakelijk voor effectieve bestrijding van misdaad en terrorisme, betoogt officier van justitie Ward Ferdinandusse.

Illustratie Angel Boligan

In april verklaarde het Europese Hof de Europese richtlijn ongeldig die telecombedrijven verplicht telefonie- en internetgegevens langere tijd op te slaan. Sinds dat arrest wordt met toenemende schelheid betoogd dat we in Nederland direct moeten stoppen met het opslaan van zulke gegevens. Binnenkort wordt de staat in kort geding gesommeerd de bewaarplicht op te schorten. Onverstandig, want die bewaarplicht is noodzakelijk voor effectieve criminaliteitsbestrijding.

Een greep uit recente vonnissen leert dat gegevens van telecombedrijven iedere dag opnieuw nodig zijn voor opsporing en berechting van ernstige misdrijven. In Utrecht werd onlangs een man veroordeeld voor verkrachting. Zijn verklaring dat er sprake was van vrijwillige seks vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Uit opgevraagde belgegevens van het slachtoffer blijkt dat zij, zoals zij verklaart, rondom de verkrachting telefonisch contact had met een ongeruste vriendin.

Dezelfde dag veroordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een man tot jarenlange gevangenisstraf voor gewelddadige overvallen. Eén van de bewijsmiddelen: uit gegevens van de provider blijkt dat de verdachte op het moment van de overval een telefoonmast in de omgeving aanstraalde. Enkele dagen eerder werd in Middelburg een man veroordeeld voor het beroven, bedreigen en vasthouden van een aantal passanten. Telefoongegevens toonden zijn aanwezigheid tijdens de beroving en de onjuistheid van zijn verklaring daarover.

Dit zijn maar enkele voorbeelden. Veelal worden telecomgegevens niet eens genoemd in het vonnis, maar zijn ze van groot belang voor de opsporing omdat ze het onderzoek richting geven. Een verdachte kan bekennen als hij met zijn internet- of belgedrag wordt geconfronteerd. En bestrijding van cybercrime wordt zelfs nagenoeg onmogelijk zonder de mogelijkheid internetgegevens op te vragen. Hackers zullen vaker vrijuit gaan.

Dat telecomgegevens ook belangrijk zijn voor terrorismebestrijding, blijkt uit het politieoptreden na de aanslag op het tijdschrift Charlie Hebdo in Parijs. Banden tussen de aanslagplegers werden vastgesteld op basis van telefonische contacten. Dat Hayat Boumeddiene, de enige nog levende verdachte, naar Syrië is gereisd, bleek uit haar telefoongegevens. Eerder werd in Frankrijk Mohamed Merah, de ‘Toulouse-schutter’ die in maart 2012 zeven mensen doodschoot, getraceerd aan de hand van historische internetgegevens.

Politie en justitie vragen jaarlijks tienduizenden keren telecomgegevens op. Dat doen we niet omdat we het leuk vinden. We vragen die gegevens op omdat het zo vaak tot resultaat leidt. Het beeld dat er zonder goede redenen inbreuk gemaakt wordt op de privacy is dan ook misplaatst. Voor opsporing is het van belang gegevens over internetverkeer en telefonische contacten een zekere tijd te bewaren. Verdachten komen vaak pas maanden later in beeld, bijvoorbeeld door tips of omdat ze nog een keer in de fout gaan. Denk aan die overvaller uit Middelburg: in mei 2014 werd zijn telefoon in beslag genomen, terwijl de overvallen een half jaar eerder waren. Maar goed dat zijn telecomgegevens nog opvraagbaar waren.

De Nederlandse Staat is het aan zijn burgers verplicht effectief op te treden tegen misdrijven. Ook als de privacy daarvoor in enige mate moet wijken. Dat recht is namelijk niet absoluut, bepaalde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Lidstaten moeten een redelijke balans vinden tussen privacybescherming en criminaliteitsbestrijding. Finland werd in 2008 door dat Hof veroordeeld omdat het naar Fins recht onmogelijk was de identiteit van een internetgebruiker te achterhalen. Die onbekende internetter had een seksadvertentie geplaatst namens een twaalfjarige jongen, zonder diens medeweten. Die jongen werd vervolgens door een pedofiel benaderd. Finland moet burgers hiertegen beschermen, oordeelde het Hof. Door het recht op privéleven van internetgebruikers in evenwicht te brengen met opsporingsmiddelen.

Nederland heeft die plicht ook. Zou de bewaarplicht worden afgeschaft, dan zou ook Nederland slachtoffers zoals die Finse jongen niet kunnen beschermen. Anders dan nu wordt betoogd, vereist het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet de onmiddellijke afschaffing van de bewaarplicht. Integendeel: dat Europese verdrag verplicht juist tot effectief optreden tegen ernstige misdrijven – ook van internetgebruikers die liever anoniem zouden blijven.

Natuurlijk, die bewaarplicht moet proportioneel zijn - met waarborgen omgeven en grondrechten zorgvuldig afgewogen. Dat proces is aanzienlijk lastiger dan de afschaflobby doet vermoeden. Het gaat hier niet om de bescherming van burgers tegen een meedogenloze, informatiehongerige overheid. Nee, het gaat hier om conflicterende belangen van burgers onderling (privacy versus bescherming tegen criminaliteit) en om conflicterende internationale verplichtingen.

Daarom is het logisch dat het aanpassen van de Nederlandse wet na het Europese arrest van april enige tijd kost. De waarschuwing van Jacob Kohnstamm (College bescherming persoonsgegevens) dat de aanslagen in Frankrijk nu geen aanleiding mogen zijn voor overhaaste wetgeving lijkt mij terecht. We moeten de belangen zorgvuldig blijven afwegen. Maar in die afweging moet wel duidelijk zijn dat de bewaarplicht niet alleen een inbreuk is op de privacy, maar ook van belang is voor de opsporing van ernstige misdrijven.

Ward Ferdinandusse is officier van justitie bij het Landelijk Parket en bijzonder hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.