Betaal nooit meer een boete meteen maar ga altijd in verzet

Hoe betrouwbaar is de kleine strafrechtspleging in Nederland? Na dinsdag past daarop een bescheiden antwoord. Dat valt nogal tegen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad oordeelde na dossieronderzoek bij het Openbaar Ministerie dat in één op de dertien van de zaken die buiten de rechter (en advocaat) om worden afgehandeld, het bewijs van schuld ver onder de maat is of zelfs helemaal ontbreekt. Van de 71.000 strafbeschikkingen die in 2013 door het Openbaar Ministerie eenzijdig werden opgelegd, deugde er 8 procent niet. In dat jaar zijn er dus 5.680 burgers in beginsel ten onrechte beboet, tot een taakstraf of gebiedsverbod veroordeeld, van een rijbewijs ontdaan of anderszins aan een strafblad geholpen.

De burger kan hieruit maar één praktische conclusie trekken: ga altijd in verzet en betaal nooit meteen.

Het rapport stelt de ironische vraag „wat nog als een acceptabel foutpercentage kan worden aangemerkt”. Acht procent dus niet, zoveel is wel duidelijk. Het Openbaar Ministerie zou van het rapport volgens deze krant ‘geschrokken’ zijn, wat dan weer hoopgevend is. Het is verbluffend hoe pover de kwaliteit is van deze vorm van strafrechtspleging door het Openbaar Ministerie. In het onderzoeksrapport klinkt verbazing door over het ‘gemak’ waarmee politie en OM de burger strafbeschikkingen opleggen. Eigenlijk wordt er een vrijwel ongecontroleerd, deels zelfs onbevoegd administratief proces beschreven. Dat is des te ernstiger omdat het OM vrij trots is op de nieuwe snelle afhandeling van strafbare feiten, direct op het politiebureau in samenwerking met jeugdzorg en reclassering. Deze ‘ZSM-aanpak’ blijkt nu kwalitatief onbetrouwbaar.

Behalve ontbrekend bewijs van schuld zijn er nog andere ernstige manco’s. Zo worden de regels over het horen van jeugdige verdachten (in aanwezigheid van hun ouders) niet nageleefd. De strafbeschikkingen zijn niet gedateerd en bevatten „zelden de correcte kwalificatie van het feit”. Ook wordt er vaak geen aantekening van bijgehouden in een landelijk register. Er blijkt een hele ‘zaakstroom’ te bestaan die niet voorkomt in de jaarcijfers van het Openbaar Ministerie. Die wordt dus niet gerapporteerd aan de minister noch aan de Tweede Kamer. Zelfs het OM wordt voor deze bekeuringen niet meer geraadpleegd – ze gaan direct van de bekeurende agent naar de inningscomputer van Justitie.

De urgentie van het probleem was dinsdag in de senaat niet aan de minister van Justitie besteed. Opstelten was blij met een „helder” rapport en de „mooie titel”. Hij complimenteerde het OM „dat tegenwoordig zo professioneel, zo volwassen en zo rechtsstatelijk opereert”. Zou iemand de minister misschien kunnen wekken?