‘Alleen wij zingen zo’

Popfestival Eurosonic koos IJsland dit jaar als ‘focusland’. In het spoor van Björk en Sigur Rós komt onbekend talent zich presenteren in Groningen. „Wij klinken echt niet allemaal atmosferisch.”

Het IJslandse Samaris maakt elektronische muziek die mistig en ijl klinkt
Het IJslandse Samaris maakt elektronische muziek die mistig en ijl klinkt

Zoals de Amerikaanse rock ‘n’ roll begon met de benen van Elvis, zo begon de moderne IJslandse popmuziek met de buik van Björk. Midden jaren tachtig trad Björk met haar band Kukl op in een tv-programma. Ze was twintig en hoogzwanger, maar zag er uit als veertien. Het argeloze tv- publiek was geschokt, want dacht dat hier sprake was van een kinderzwangerschap.

Met het tv-optreden en haar dwarse punkband brak Björk de ingeslapen IJslandse popmuziek open. Voortaan werden niet meer uitsluitend buitenlandse helden geïmiteerd, maar ontwikkelde IJsland zich tot een vooruitstrevend popland, met Björk als vaandeldrager – eerst als voorvrouw van Kukl, toen van popband Sugarcubes, en daarna solo. Björk veroverde Europa en Amerika, en in de jaren negentig volgden bands en artiesten als Sigur Rós, GugGus en Valgeir Sigurðsson.

IJslandse bands presenteren zich nadrukkelijk als IJslanders. Ze zingen doorgaans in hun moedertaal en tooien zich met namen die voor veel Europeanen moeilijk uit te spreken zijn. En toch dringen ook Skálmöld, Ásgeir Trausti, Hjálmar en Úlfur Úlfur door tot het vertrouwde menu van de buitenlandse popliefhebber. Het Eurosonic-festival, waar altijd al veel IJslandse groepen te horen zijn, koos IJsland dit jaar bovendien als ‘focusland’. In Groningen zijn optredens te zien van nog redelijk onbekend talent als Samaris, Mammút, My Bubba, Kiasmos en Soley.

IJslandse muziek heeft een aantal typerende kenmerken. Zo ontwijken IJslandse nummers vaak het bekende popstramien, maar zoeken zijwegen; de thema’s worden breed uitgerold en opgestuwd tot wolkige vergezichten. Gezichtsbepalend in dat genre is de populaire band Sigur Rós. Voorman Jónsi zingt met zijn hoge stem in een niet-bestaande taal en de muziek presenteert zich in melodische flarden.

Door die landschappelijke stijl ontstond de indruk dat IJslandse muziek wordt geïnspireerd door de IJslandse natuur, door het gerommel van vulkanen, ijzige windvlagen, boomloze vergezichten. Vaak wordt de muziek omschreven als etherisch of cinematografisch.

En ook opvallend: in Reykjavík, waar het merendeel van de eilandbevolking (zo’n 320.000 mensen) woont, moet muziek enorm leven – zoveel bands, ensembles, dance acts en filmmuziekschrijvers doen de laatste tijd van zich spreken.

Harde taal

Maar niet alle ideeën over IJslandse muziek zijn terecht, blijkt uit gesprekken met een aantal groepen en soloartiesten die dezer dagen op Eurosonic/ Noorderslag optreden, zoals rockband Sólstafir (bestaat al twintig jaar), het ijle elektronicatrio Samaris, danceduo Kiasmos en singer/songwriter Soley.

Soley is 28, zingt met fragiele stem en speelt zwaar piano. Ze bedenkt alle muziek, maar heeft een band die de nummers met haar uitvoert. Op die manier maakten ze drie cd’s, waaronder het verhalende We Sink (2011).

Soley vertelt via skype vanuit haar woning annex studio, dat het maar líjkt alsof de IJslandse muziekscene zo groot is. Want, zegt ze, het zijn steeds dezelfde mensen die je hoort. „Muzikanten hier beginnen steeds weer andere projecten of bands. Of ze gaan een tijdje solo. Omdat ze niet steeds hetzelfde willen doen. Bovendien is het publiek hier maar beperkt. Een stuk of tweehonderd mensen komt naar je kijken en die willen ook wel eens wat anders horen.”

Op haar platen zingt Soley in het Engels, omdat ze de IJslandse taal ‘hard’ vindt. „Engels vloeit beter. IJslands heeft die rare ‘rrrr’- en ‘chgggr’-klanken, alsof er kleine explosies in je mond plaatsvinden”, zegt ze. „Bovendien vind ik het moeilijk om in mijn eigen taal de teksten te schrijven. Dan ben ik te kritisch. In het Engels mag ik kinderlijker zijn.”

De leden van het duo Kiasmos, ook deze week op Eurosonic te zien, zijn een voorbeeld van de veelzijdige muzikant. Ólafur Arnalds (28) is bekend als solo-artiest; samen met Janus Rasmussen (27) maakt hij etherische dance met een akoestische draai, en apart van elkaar maken ze allebei filmmuziek. Ólafur Arnalds is internationaal bekend, als componist van onder meer de soundtracks van de tv-series Broadchurch en Masters of Sex.

Vandaag werken Rasmussen en Arnalds samen, in hun studio in Reykjavík. Ze leggen het mixen van een nieuw nummer even stil om via skype over hun muziek te praten. We hebben het over de tweedeling die in Kiasmos is ontstaan: de muziek op de cd is anders dan wat ze live laten horen. „We namen de plaat op met een drummer en allerlei akoestische instrumenten. In de studio konden we veel aandacht besteedden aan details. Maar live draait het om de clubsfeer, met lichtshow en visuals. We voeren de nummers samen uit en richten ons vooral op de beat. De mensen dansen op de stoelen, zoals laatst in Brussel. Zo is er muziek voor de club, en voor de huiskamer.”

Gevraagd naar het landschappelijke element in IJslandse muziek, begint Rasmussen te gapen. „Ach ja, die cinematografische natuurmuziek uit IJsland. Dat is een cliché dat vooral in West-Europa populair is.” Arnalds: „Er wordt hier rock gespeeld, folk, dance, middle of the road, barokke pop, mysterieuze metal... Op Eurosonic spelen negentien IJslandse groepen, die klinken echt niet allemaal atmosferisch.”

Inderdaad klinken bijvoorbeeld de bands Mammút en Sólstafir ruig en aards, maar het trio Samaris past wel bij het beeld van de atmosferische IJslandse muzikant. Mistig en langgerekt vloeit de ijle elektronica samen met de hobbelige syllaben van zangeres Jófríður Ákadóttir.

Ákadóttir (20) klinkt op dinsdagochtend nog slaperig. Ze is aan het relaxen, zegt ze, voordat Samaris deze week weer op tournee gaat. Haar band, vernoemd naar een prinses in de strip The Phantom, toert veel door Europa, maar ook door China, Japan en Australië. Ákadóttir zingt sinds haar veertiende. Daarna studeerde ze klarinet.

Net als Soley en Ólafur Arnalds, begon Ákadóttir haar carrière op de ‘Listaháskóli Íslands’, oftewel de IJslandse kunstacademie in Reykjavík. Ook Jónsi, van Sigur Rós, zat op de academie. Het was daar dat hij op het idee kwam om zijn gitaar met een strijkstok te bespelen, waardoor Sigur Rós zijn typische ‘symfonische’ gitaargeluid kreeg.

Kunstacademie

„Veel mensen hier studeren aan de compositieafdeling van de academie”, zegt Ákadóttir. „Die is beïnvloed door klassieke muziek, maar het doel is niet om klassieke muziek te maken. Dus later worden de studenten vaak popmuzikant.”

Taal is voor muzikanten uit niet-Angelsaksische landen vaak een gevoelig onderwerp. Ook voor sommige IJslanders. Zanger Ásgeir bijvoorbeeld, bracht in 2012 zijn cd Dýrð í dauðaþögn uit, in het IJslands. Twee jaar later verscheen de Engelse versie, met de titel In the Silence. De ruige rockband Sólstafir, waarvan de leden eruitzien als cowboys, inclusief hoeden, laarzen en snor, is in het twintigjarige bestaan een paar keer geswitcht van Engels naar IJslands en weer terug. Volgens voorman Aðalbjörn Tryggvason (43) hing dat samen met zijn manier van zingen, die switchte van schreeuwen naar een lichtere stijl. Op dit moment heeft IJslands zijn voorkeur. „Juist om de harde klanken, en de vreemde textuur van de woorden”, zegt hij. „Ik zing nu rustiger maar die klanken geven extra kracht.”

Volgens Jófríður Ákadóttir van Samaris is haar taal juist in het buitenland een unieke attractie. „Ook in Amerika krijgen we steeds meer publiek. Daar verstaan ze niks van wat ik zing, maar dat vinden ze juist leuk. Engels zingende bands zijn er al genoeg. Alleen wij zingen zo. Andere mensen kunnen het niet.”