Kunsthal toont hoe onze welvaart aftakelt

Net echte, vervallen flat van sloophout: Ron van der Ende,Parkflat (2002, bas-reliëf, hout, 135x165x14 cm).
Net echte, vervallen flat van sloophout: Ron van der Ende,Parkflat (2002, bas-reliëf, hout, 135x165x14 cm). Collectie Museum Rotterdam

Wat knap, net echt, zo precies. Zou Ron van der Ende er niet moe van worden dat zijn kunst zo op zijn technische merites bewonderd wordt. Die reacties hoor je ook nu weer in de Kunsthal, waar een eerste retrospectief van de Rotterdamse kunstenaar te zien is. Op zich is die technische bewondering terecht: zijn minutieus gemaakte houten reliëfs zijn bijna plat maar hebben indrukwekkende ruimtelijke effecten. Net als de ‘trompe-l’oeil-schilderingen van vroeger. Die toonden doorgaans putti en godenhemels, maar Van der Ende kiest nabijer thema’s: scheepsrompen, auto’s, huizen, computers. Al een kwart eeuw bouwt hij deze van sloophout, wat een instant verweerd karakter geeft. Socioloog en auteur Richard Sennett schreef dat de ambachtsman terug is in de creatieve economie, nou, hier is hij.

Maar, blijkt in de Kunsthal, Van der Ende’s werk vertelt meer dan dat hij knap kan timmeren. Zijn verhaal gaat over de twintigste eeuw. Met zijn fabrieken, voertuigen en natuurlijk de ultieme jongensdroom van raketten en ruimtestations somt Van der Ende de symbolen op van de economische welvaart die zo allesbepalend werd na de oorlog. Hij geeft de symbolen een ruimtelijke illusie door een perspectivisch kader van opwaartse lijnen. Dat lijkt een keurslijf, het maakt veel composities vergelijkbaar. Tegelijk onderstreept die opwaartse richting dat modernistische beeld van optimisme, kracht, vooruitgang.

Waar het bij achttiende-eeuwse trompe-l’oeils draaide om visuele rijkdom, gaat het hier over materiële rijkdom. Bezitsdrang als bijproduct van de vooruitgang. Of het nu souvenirs of foto’s zijn, met objecten en beelden geven we ons leven vorm en houden we herinneringen vast. Daar doet Van der Ende’s hyperrealisme aan denken. Het heeft de echtheid van fotografie, hét middel om nostalgisch te herinneren. Maar zijn verweerde objecten zijn tastbaar en aaibaar – een verleiding die veel bezoekers in de Kunsthal niet weerstaan. Fotografisch en aaibaar zijn deze twintigste-eeuwse iconen waar we ooit in geloofden, pijnlijk dichtbij, als fata morgana’s.

Ron van der Ende begon dit werk tijdens de economische bloei rond de eeuwwisseling. Intussen zijn we een economische crisis verder, willen we terug naar lokale productie en ambacht, en wantrouwen we de wereldeconomie. Dat maakt zijn werk alleen maar actueler: de grote werken van de welvaart, afgebladderd en afgetakeld.

Maar Van der Ende moraliseert niet tegen consumentisme. Deze grote show is toch vooral jongenskunst, van iemand die houdt van al dat grote stoere spul. Bij landschappelijke thema’s, zoals Yosemite, valt zijn werk tegen – te knutselig. Zijn stijl hoort bij hardware, constructies, die hij ontleedt. Zoals de cassettebandjes die hij in 2008 maakte voor Worm, een muziekcentrum voor experimentele geluidskunst. Zijn assemblagetechniek past bij die zogenoemde ‘piepknor’-muzikanten die zich oude bandrecorders toe-eigenen en die techniek ontleden. Dat ambacht vertaalt hij visueel. Die cassettebandjes hangen prachtig aan de muur als een intergalactische vloot, een eigen universum, in staat tot grootse avonturen.