Het is te duur, te laat en het werkt niet goed

De Kamer praat vandaag over ICT bij Defensie. Er zijn veel problemen, zegt de minister. En de oplossing?

Foto ANP

Het begrip ‘vertraging’ en het automatiseringssysteem Speer van Defensie zijn de afgelopen jaren synoniemen geworden.

Dat bleek ook vorige week weer: toen stuurde minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) een brief naar de Tweede Kamer. Haar boodschap: de „migratie” van het gevechtsvliegtuig F-16 naar Speer loopt een, vooralsnog onbekende, vertraging op. Die migratie betekent dat de logistieke processen rond het vliegtuig, zoals voorraadbeheer van reserveonderdelen en planning van onderhoud, worden bijgehouden in het programma Speer.

Het is de zoveelste tegenslag voor het programma, dat in 2009 al had moeten werken en nu nog geen kwart van de besparingen oplevert die ooit waren voorzien. Duur is Speer ook. Toen Defensie in 2013 stopte met het openbaar maken van de kosten, was het systeem volgens een analyse van de Algemene Rekenkamer al 413 procent duurder dan de oorspronkelijke raming. Daarna zijn er volgens bronnen bij Defensie nog miljoenen aan uitgegeven. Hoeveel is onduidelijk, omdat het ministerie het ook intern niet meer apart bijhoudt.

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over het programma, waarvan de toekomst meer dan ooit ongewis is.

Ondanks vele interne klachten over de moeizame werking van het programma en het arbeidsintensieve onderhoud ervan bleef Defensie publiekelijk altijd volhouden dat Speer een goed product was. In de analyse van de Rekenkamer dat Speer nog geen 30 procent van de taken kan uitvoeren waarvoor het is bedoeld – „herkennen wij ons niet”, zeggen ze bij het ministerie.

Toch zijn er signalen dat aan die rooskleurige voorstelling van zaken een dezer maanden een einde komt.

Minister Hennis moet namelijk een besluit nemen over wat ze met Speer gaat doen. Want hoewel het programma volgens de officiële communiqués goed werkt, moet er volgens diezelfde communiqués nogal wat aan gesleuteld worden – „doorontwikkeld” is het gebruikte eufemisme.

Hennis had de Tweede Kamer vorig jaar beloofd dat ze nog dat najaar zou vertellen hoe ze die doorontwikkeling precies voor zich ziet. Maar ook hier trad vertraging op – het wordt februari. Achter dit uitstel zit een heftige richtingenstrijd bij Defensie, waar de voorstanders van Speer in het defensief zijn gedrongen door de aanhoudende problemen met het programma.

Een complicatie voor Hennis bij het efficiënt afhandelen van het probleem-Speer is dat andere ICT-problemen zich afgelopen jaar rap opstapelden. Datacenters vielen uit, en er bleek te weinig reservecapaciteit om dat op te vangen. In juli zette de minister vier van haar ICT-managers uit hun functie, en legde ze de Kamer uit dat de apparatuur „sterk is verouderd” en de verhoudingen binnen de automatiseringsafdelingen al jaren „ernstig verstoord” zijn. Het had er allemaal toe geleid dat er „risico’s waren voor de continuïteit van de bedrijfsvoering”. En na aanhoudende geruchten doet de minister ook onderzoek naar mogelijke fraude en malversaties bij de aanbesteding van ICT-opdrachten.

Nieuw voor Defensie is dat Hennis al deze problemen openbaar maakt. Dat levert haar krediet op, zeker omdat het allemaal ellende is die zij heeft geërfd van haar voorgangers. Maar de minister neemt ook een risico. Nu ze de problemen zo openlijk heeft benoemd, zullen Kamerleden ook oplossingen verwachten.

Lukt het Hennis niet om een uitweg te vinden, dan komt er een moment dat ze niet meer de dapper openhartige minister is, en wordt ze de minister die haar departement niet in het gareel krijgt.