Er zijn al vluchtelingen doodgevroren

Sinds vorige week leven meer dan 144.000 Syrische vluchtelingen in extreme kou. Windstorm Zina heeft aan zes mensen het leven gekost. De tenten zijn ingestort door het gewicht van de sneeuw.

Toen het in de nacht van zaterdag op zondag opnieuw hard begon te sneeuwen in de Libanese Bekaavallei, zat de 60-jarige Salim Rahmo meteen rechtop in bed. Syrische vluchtelingen weten: door te veel sneeuw kan de tent instorten. „Van twee tot vier uur ’s nachts heeft hij geholpen de sneeuw van het dak te ruimen”, zegt zoon Bakri. „De volgende ochtend kregen we hem niet wakker. Hij is in zijn slaap gestorven.”

Sneeuw is goed nieuws voor de rijkere Libanezen de skipistes zijn dit weekend opengegaan. Maar het is een nachtmerrie voor de ruim 1,1 miljoen Syrische vluchtelingen in Libanon. Helemaal voor de naar schatting 144.000 vluchtelingen die in provisorische tentenkampen wonen in de Bekaavallei. Sinds winterstorm Zina een week geleden overtrok zijn al minstens zes vluchtelingen doodgevroren, onder wie vier kinderen.

Al-Fares, het kampje waar de familie Rahmo woont, is er bijzonder ernstig aan toe. Hier staat een dertigtal tenten – de families betalen maandelijks zo’n 50 euro per tent om hier te mogen wonen. Bewoner na bewoner sleurt het bezoek naar binnen om te laten zien hoe de daken – vaak niet meer dan tentzeil – zijn ingestort onder het gewicht van de sneeuw. Wie pech heeft, trekt bij de buren in.

In het kamp klinkt veel gehoest en niet alleen door de bittere kou: er zijn temperaturen tot min elf opgetekend. Bij gebrek aan brandhout of stookolie stoken de vluchtelingen alles wat ze kunnen vinden op: schoenen, kleren, autobanden. Een oud vrouwtje gaat met een keukenmes de plastic zakken met hulpgoederen te lijf.

Dit kamp is een beetje een probleem, zegt Tarek, een jonge vrijwilliger van Ayoun Syria (Ogen van Syrië, een Syrische vrijwilligersorganisatie). „Toen we hier aankwamen vroegen we wat er met de dekens is gebeurd die we vorig jaar hebben gebracht. Die hebben we verkocht, zeiden ze.”

De vrijwilligers proberen de gaten op te vullen in de internationale hulpverlening. De hele dag zijn ze in de weer geweest om hout te kopen voor de acht kampjes waar zij werken. Dat is niet makkelijk: de prijzen zijn enorm gestegen door de grote vraag.

Ayoun Syria heeft zijn hoofdkwartier in het Al-Jahariya-kamp even verderop. Hier hebben zij een buurttent, een medische tent en een speeltent. Bij het binnenrijden van het kamp komt een vrouw aangerend met een huilend kind in haar armen. De theepot is omgevallen en het jongetje is verbrand aan zijn armen en benen.

De dokter is er niet

We rijden ermee naar een medische hulppost in de buurt, want de Syrische dokter, een vrijwilliger, is afwezig. „Het is altijd wat met jullie Syriërs”, roept een Libanese verpleegster. „Breng hem maar naar het Rode Kruis”, zegt de Libanese arts na een vluchtige blik. Een Libanese vrouw heeft wel medelijden: ze staat haar jas af om het kind warm te houden. Uiteindelijk wordt de Syrische dokter toch gevonden.

Dit soort pesterijen zijn de vluchtelingen gewend. Na vier jaar raakt het geduld van de Libanezen met de Syrische vluchtelingen op. De vluchtelingen hier vertellen over een jongen die is opgepakt door het leger, hij is gewoon verdwenen terwijl hij langs de kant van de weg zakdoekjes verkocht. Eén man vertelt dat zijn zoon thuiskwam met messteken in de armen en benen; hij was zomaar aangevallen door een groepje Libanese burgers.

In het Al-Jahariya-kamp is de situatie net iets minder dramatisch. De kinderen dragen warme kleren en gooien met sneeuwballen. Maar ook hier zijn 42 van de 180 tenten ingestort.

In de ongeschonden tenten is het nog krapper dan eerder. In één tent hokken nu vier families, in totaal dertig mensen, samen. Daar komt soms ruzie van.

Sana, een vrouw van dertig met vier kinderen die door haar man in de steek is gelaten, verlaat plots de tent. Ze wil ons haar eigen tent tonen. Daar is het bitterkoud.

Sana loopt drie maanden achter met de huur en heeft geen geld voor brandhout. „Ik heb ruzie met een van de vrouwen in de andere tent”, zegt zij. „Dus telkens wanneer zij er niet is, ga ik mij daar met de kinderen opwarmen. Wanneer zij terugkomt, moet ik weg.”

De hulpverlening aan de vluchtelingen staat onder druk wegens geldgebrek. De voedselbonnen van de Verenigde Naties zijn van 30 naar 20 dollar per maand per familie in waarde gezakt. De bonnen voor stookolie zijn er nog niet.

De Libanezen zijn de vluchtelingen beu. Maar de beelden van doodgevroren kinderen hebben voor een tijdelijke heropleving van de compassie gezorgd. „Toen ik dat zag, brak mijn hart”, zegt een Libanese dame die zaterdag in Beiroet dekens komt doneren. „Dit gaat niet over politiek of religie, maar over menselijkheid.”

De inzameling gebeurt door de ngo Lebanese4refugees. „Het wordt elk jaar moeilijker”, zegt organisatrice Carol Malouf. „We moeten de mensen in het hart raken.” Tegen het eind van de dag zijn negentien volgeladen vrachtwagens richting Bekaavallei vertrokken.