... en hoe zit het met tekeningen?

Cartoons leiden in Nederland zelden tot rechtszaken. Als er zo’n zaak is: welke overwegingen geven dan de doorslag?

Volksdelen kwetsen per tekening is in Nederland niet erg populair. Er zijn in ons land de afgelopen tien jaar hooguit vier opvallende juridische procedures geweest waarbij cartoons en tekeningen de inzet waren. Er worden blijkbaar niet veel tekeningen gemaakt die zo scherp zijn dat ze aanzetten tot een juridische strijd. En van de hier beschreven juridische zaken rond tekeningen is in sommige gevallen eerder de gevreesde beschadiging van zakelijke belangen een reden tot procederen, dan gekwetste gevoelens. Eigenlijk zijn er maar twee processen gevoerd om dezelfde reden die de tekeningen van Charlie Hebdo zo omstreden maakt: scherpe kritiek op religie. Dat zijn de zaken rond cartoonist Gregorius Nekschot en de door de Arabisch Europese Liga uitgelokte zaak over een Holocaust-cartoon. In beide gevallen ging het niet om gedrukte cartoons, maar om cartoons online.

2005-2010: Nekschot. In april 2005 deed het Meldpunt Discriminatie Internet (een overheidsinstelling) aangifte tegen cartoonist Gregorius Nekschot, omdat hij voor Turken en Marokkanen kwetsende cartoons op zijn site zou hebben gezet. Op één van de cartoons zie je een Arabisch uitziende man die op een poef zit en zegt: „In de Koran staat helemaal nergens dat je iets terug moet doen voor 30 jaar WAO en kinderbijslag en huursubsidie.”

Tientallen mensen hadden daarover, na een oproep van islamprediker Abdul-Jabbar van de Ven, geklaagd. Het duurde drie jaar voor het Openbaar Ministerie tot actie overging: in juni 2008 viel justitie met tien man het huis binnen van de cartoonist, alleen bij zijn schuilnaam bekend. Zijn huis werd doorzocht, hij werd meegenomen, net als zijn computers en telefoons. Hij werd een nacht in de cel vast gezet, en ’s middags vrijgelaten. Er werden Kamervragen gesteld over deze inval en arrestatie aan de minister van Justitie Hirsch-Ballin (CDA), die ontkende dat het om een politieke actie ging. (In september 2005 begon ook de ophef over de Deense cartoon van Mohammed met een bom in zijn tulband, waar moslims fel tegen protesteerden.)

Justitie had moeite met het achterhalen van de identiteit van Nekschot. De afwikkeling van de aanklacht duurde nog eens twee jaar: in september 2010 seponeerde het Openbaar Ministerie de zaak. Men vond de tekeningen wel discriminerend, maar ze waren door Nekschot van internet gehaald, en hij had al een nacht in de cel gezeten. Nekschot is daarna gestopt met tekenen.

2009: Nijntje-Lijntje. Het ging in deze kwestie om tekeningen die een blogger op weblogcommunity Punt.nl geplaatst had in de stijl van Dick Bruna’s kinderboekkonijntje, afgebeeld bij een lijntje coke, met ogen als schoteltjes van de drugs, en teksten als ‘Zwijntje is zo stoned als een garnaal’ en ‘Niet met me fokken, roept Nijntje, ik sta superstrak’.

De rechter besloot in december 2009 dat de vijf getekende parodieën van Nijntje op internet mochten worden gepubliceerd. Het ging volgens de rechter om duidelijke parodieën, en die zijn toegestaan. Ze waren bedoeld om te lachen, en aan de tekeningen was iets toegevoegd, aldus de rechter, en dat maakt ze tot parodie. Twee tekeningen vond de rechter wel plagiaat; daaraan was te weinig toegevoegd, zoals Nijntje dat in een vliegtuig op een flatgebouw afvliegt, met de tekst ‘Nijn Eleven’. Webhost Punt.nl stelde dat de vrijheid van meningsuiting in het geding was geweest, omdat er satire werd bedreven, zonder commerciële bedoelingen, en was dan ook blij met de uitspraak.

2010: Holocaust-cartoon. De Arabisch Europese Liga (AEL) publiceerde in 2009 een cartoon op haar site waarin de genocide op de Joden in Auschwitz in twijfel werd getrokken. De tekening werd gemaakt in reactie op de Deense Mohammed-cartoons: AEL wilde ermee aantonen dat beledigende Mohammed-cartoons wel worden geaccepteerd, maar dat cartoons die kwetsend zijn voor christenen of joden in het Westen niet worden geaccepteerd. De AEL schreef bij de cartoon dat zij de Holocaust wel als historisch gegeven ziet.

Het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) deed aangifte. Na verschillende processen volgde in 2010 de definitieve uitspraak. De rechtbank vond de AEL-tekening op zichzelf wansmakelijk, kwetsend en beledigend. Maar de context waarin de cartoon met toelichting is geplaatst, haalde het strafbare karakter weg. De rechter betrok ook in de uitspraak dat een mens het recht heeft met publieke uitingen te schokken, kwetsen of beledigen.

Voor de rechter was de tekening onderdeel van de ‘cartooncampagne’ van de AEL om de ‘dubbele moraal’ in het Westen te hekelen: „De vrijheid van meningsuiting hoeft in dit geval niet te wijken voor het recht van anderen van discriminatie gevrijwaard te blijven.”

2014: Hiddema-cartoon. Advocaat T. Hiddema spande een kort geding aan tegen cartoonist Ruben L. Oppenheimer, die in een Maastrichts blad in een cartoon over een boek over Hiddema hem aanduidde met de woorden „louche advocaat”. Dat vond Hiddema te ver gaan en hij eiste rectificatie en schadevergoeding.

De rechter vond dat een cartoonist recht heeft op vrijheid van meningsuiting, maar hij mag niet nodeloos kwetsend of beschadigend zijn. En volgens de rechter kon Oppenheimer niet voldoende aantonen dat Hiddema onbetrouwbaar, dus louche was.

Ook vond de rechter in Maastricht dat een cartoon ‘eenduidig’ moet zijn, dat wil zeggen zonder dubbele bodem. Oppenheimer moest zijn cartoon rectificeren, maar een schadevergoeding hoefde hij niet te betalen. Oppenheimer heeft inmiddels gerectificeerd, en gaat samen met de Nederlandse Vereniging van Journalisten in hoger beroep; zij vinden dat de vrijheid van meningsuiting is aangetast.