Aan de dinertafel in huize Hawking

Ik vond hem terug in mijn boekenkast, vergeeld en praktisch onaangeroerd: A Brief History of Time. Dat boek dat iedereen zo rond 1990 cadeau gaf of kreeg en dat de door spierziekte ALS verlamde kosmoloog Stephen Hawking van cultfiguur tot mondiale rockster, goeroe, heilige maakte. Niet dat we veel van The Big Bang en zwarte gaten begrepen, maar dat brein op wielen dat het universum verklaarde met relativerende humor en blikken computerstem: het fascineerde mateloos.

Zal Hawking echt blij zijn met The Theory of Everything, een film over zijn liefdesleven? Ik betwijfel het. Hij stamt van non-conformistische ouders die hun kinderen opvoedden in die stoïcijnse Britse geest van zelfredzaamheid, van ‘count your blessings and carry on’. Nadat hij in 1963 de diagnose ALS had gekregen, stortte hij zich fanatiek op zijn werk en trouwde hij. Waarna hij zich tegenstribbelend neerlegde bij een leven van groeiende afhankelijkheid. Privacy moet een relatief begrip zijn bij een man die nog maar één wangspier controleert en publiek bezit is. En die met gulle teugen van de roem drinkt: sinds zijn bestseller trekt hij met zijn entourage van universiteit naar Bayreuth en van observatorium naar stripbar – om te zwijgen van de studio’s van Star Trek, The Simpsons en The Big Bang Theory.

Hawking mag allerminst klagen over dit filmheldenleven in subjectieve, emotionele stijl: romantisch soft focus en soms bijna monochrome kleuren: kil blauw, broeierig rood. Vaak kijken wij even door zijn ogen: een droeve close-up van het ballet van soepel bewegende handen aan een dinertafel. Maar meestal legt regisseur James Marsh de nadruk op zijn optimisme en humor: Hawking die met een kartonnen doos op zijn hoofd met blikken robotstem „exterminate! exterminate!” schettert.

The Theory of Everything gaat over fysiek verval, door acteur Eddie Redmayne virtuoos verbeeld. Maar een verband met Hawkings denken wordt zelden gelegd. Dat is eerder gedaan, in de BBC-film Hawking, waar Benedict Cumberbatch hem als student speelt. Dezelfde jonge, arrogante Hawking, die Jane tijdens een bal inpakt met een uitleg waarom nieuwe overhemden niet oplichten onder black lights, komen we hier tegen. Een briljante, sarcastische flierefluiter die zijn hoogleraren tot wanhoop drijft; als student was Hawking zo „verveeld over het leven” dat hij hooguit uit bed kwam om andermans ideeën te verpulveren. Tot zijn doodvonnis in 1963 dus. „De wetenschap dat je morgenochtend moet hangen, scherpt de geest aanzienlijk”, merkte zijn zus ooit droogjes op.

Toch is het in The Theory of Everything meer de liefde dan de dood die de geest Hawking mobiliseert. Het is Jane Wilde die hem uit zijn depressie sleurt, eist dat hij – onhandig en boos– croquet speelt, doorploetert. Logisch, want de film baseert zich op haar terugblik op het huwelijk met Hawking, met wie zij drie kinderen kreeg voordat hij in 1995 zijn verpleegster Elaine Mason trouwde. Op dat moment had Jane, na vele platonische jaren, een relatie met huisvriend Jonathan Hellyer Jones. Nadat politieonderzoek naar de geruchten dat Mason, ook in de film een manipulatieve vrouw, Hawking mishandelde, volgde in 2006 een scheiding en een verzoening met Jane.

Deze troebele episode ging gepaard met meer jaloezie, ruzie en drama dan James Marsh toont. Hij baseert zich dan ook niet op Jane’s bittere terugblik Music to Move the Stars uit 1999, maar op het warme, berustende Travelling to Infinity uit 2007, na de verzoening. Al draaien beide boeken om het wegcijferen in dienst van een monomaan, veeleisend genie dat haar religie en ambities stelselmatig kleineert – Jane wil promoveren op middeleeuwse Spaanse poëzie – en koppig weigert zich door iemand anders dan haar te laten verplegen. Een meisje dat dacht te trouwen met een stervend genie, veroordeeld tot een bestaan als verpleegster. Actrice Felicity Jones suggereert die van onderdrukte emotie sidderende Engelse roos Jane uitstekend, zonder Hawking te tonen als een zowel fysiek als mentaal afwezig genie. Want daarover klaagt Jane in haar boeken ook: de ‘knopen van angst en wanhoop’ in haar buik als hij weer dagenlang zwijgt, opgelost in een zwart gat van wiskundige speculatie. Van de godin van de natuurkunde die „kinderen hun vader en vrouwen hun echtgenoot ontsteelt” verlies je.

In de film is Hawking afwezig noch veeleisend, en denken doet hij zelden. Zijn werk bestaat eruit schouderklopjes in ontvangst te nemen van oude heren in zwarte toga’s. De kosmos? Soms komt die terloops ter sprake bij het avondeten, waar erwten en peultjes de zaken illustreren. En dan meestal in het kader van het debat tussen atheïst Stephen en christen Jane, die hoopt dat hij in de kosmos een plekje vrijhoudt voor de Heere. Wat Hawking wel en niet doet in die fraaie paradox van A Brief History of Time, waar hij de wetenschap oproept te blijven zoeken naar een universele theorie. „Dat zou de ultieme triomf van de menselijke rede zijn – want dan zouden wij de geest van God kennen.” Ook dat debat stipt Marsh slechts licht aan in zijn wens de waardigheid van de betrokkenen en zijn Oscarkansen niet te schaden. Dat levert een geserreerde biopic op over het genie dat obstakels overwon en de vrouw die dat mogelijk maakte. Maar die weinig verklaart.