Gesubsidieerd stoken van hout spaart geen CO2

De Nederlandse en Europese regels voor biomassa bevatten een fundamentele denkfout. Drie wetenschappers leggen uit waarom.

Nederland subsidieert meestook van hout in kolencentrales. Het directe effect is veel broeikasgas, want hout verbranden produceert minstens evenveel CO2 als steenkool. Nieuw geplante bomen kunnen deze CO2 weliswaar opnemen, maar dat planten gebeurt op vrijwillige basis.

Zelfs als voor elke gerooide boom een nieuwe wordt aangeplant duurt het twintig tot honderd jaar voor de uitgestoten CO2 weer is vastgelegd. Het meeste stookhout komt uit bossen in het zuiden van de VS. Die zijn grotendeels privébezit en ongereguleerd; het is onwaarschijnlijk dat Nederland hier een beter natuurbeheer kan afdwingen. Duurzaamheidscriteria voor meestookhout zijn daarom een illusie.

De overheid vergoedt energiemaatschappijen acht jaar lang het verschil in kostprijs tussen hout en steenkool. De kosten: drie miljard euro belastinggeld, bijna tweeduizend vierkante kilometer gerooid bos en verlies van biodiversiteit.

Waarna we even ver zijn als toen we begonnen. Ergo: meestook van hout is geen effectieve manier om de uitstoot van broeikasgas te verlagen.

Ook biobrandstof is niet zinvol. De productie van bio-ethanol en biodiesel voor verkeer en vervoer stuit op het fundamentele probleem dat auto’s en vliegtuigen veel sneller brandstof verbranden dan planten kunnen groeien.

Aardolie, gas en steenkool zijn ontstaan uit samengeperste planten en diertjes (biobrandstoffen!). Het aanmaken kostte echter vierhonderd miljoen jaar. Om jaarlijks vijf procent van onze benzine en diesel te vervangen door biodiesel moeten we heel Nederland ten noorden van Amsterdam-Enschede met koolzaad beplanten.

De aardbol is te klein om ons door groei van bomen en planten van brandstof te voorzien. Ongerepte grond wordt ontgonnen om het voedsel te telen dat door biobrandstof is verdrongen.

Deze verdringing vernietigt niet alleen natuur maar produceert ook veel broeikasgas: het komt bij ontginning vrij uit de grond. Bovendien kost het fabriceren van biobrandstof zelf brandstof. Grondbewerking, bestrijdingsmiddelen, kunstmest, transport en het omzetten van planten in vloeistof kosten elektriciteit, aardgas en benzine.

Als dat wordt opgeteld bij de verdringingseffecten produceren sommige biobrandstoffen meer broeikasgas dan gewone benzine. De huidige biobrandstof wordt gemaakt uit voedsel, zoals palmolie, maïskorrels, koolzaad of soja.

Het is twijfelachtig of zogenaamde tweede generatie biobrandstof – uit plantenafval, gras en bomen – beter is: het telen vereist vruchtbare grond en schaars water, en transporteren en vloeibaar maken van gras en hout kosten brandstof. Gebruik van afgewerkt frituurvet als biobrandstof betekent verspilling van een waardevolle grondstof. Voorheen maakte de industrie er smeermiddelen, verf en zeep van.

Inmiddels heeft de vraag naar biobrandstof de prijs van gebruikt frituurvet zo opgejaagd dat de industrie verse palmolie inkoopt. Daarvoor worden oliepalmen aangeplant, wat ten koste gaat van oerwoud.

Ook landbouwafval kan beter niet worden verbrand. Door het afval terug te geven aan de grond wordt verschraling voorkomen. De rest kan worden gebruikt voor veevoer en voor hoogwaardige chemie; er kunnen eiwitten, vezels en materialen voor kunststoffen uit worden gewonnen. Alleen onbruikbare restanten worden in dat geval verbrand.

De Nederlandse en EU-regels voor biomassa bevatten een fundamentele denkfout. Ze eisen dat een bepaald percentage van brandstof en elektriciteit komt uit ‘duurzame’ bronnen zoals biomassa.

Daardoor zou automatisch het gebruik van kolen en olie verminderen – zoals het stimuleren van water drinken leidt tot minder frisdrankgebruik. Een mens drinkt gewoonlijk twee liter vloeistof per dag, maar energieverbruik mist zo’n natuurlijke grens. Zolang energie betaalbaar is, stijgt het verbruik: mensen willen airco, krachtiger auto’s, sneller internet.

De huidige procentuele doelstellingen en subsidies leiden niet tot reductie van CO2-uitstoot maar tot vernietiging van natuur en concurrentie met voedsel. Ook kost het biomassabeleid geld en tijd. Daardoor komen we aan het echte probleem niet toe: dat we te veel olie en kolen verbranden. Wij bevelen aan de verplichtingen voor biobrandstof en de subsidie voor houtmeestook op te heffen. Op langere termijn kunnen we de CO2-uitstoot verminderen door innovaties in zonne-energie. Op korte termijn is de beste keuze energie-efficiëntie en brandstofbesparing.

Alleen zo kunnen we aan onze kinderen en kleinkinderen een draaglijk klimaat nalaten.