Een moslim president van de FIFA – kan dat?

De concurrentie voor FIFA-president Joseph Blatter komt van binnenuit. Jérôme Champagne, de Fransman die zich een jaar geleden opwierp als tegenkandidaat voor het voorzitterschap, werkte in verschillende functies onder Blatter bij de voetbalfederatie, van 1999 tot 2010. En de Jordanese prins Ali bin Al-Hussein, die vorige week liet weten dat ook hij de strijd om het voorzitterschap met Blatter aangaat, is een van de acht vicepresidenten van de FIFA.

Kan dat, een moslim als voorzitter van de FIFA? Bij de wereldvoetbalfederatie zijn 209 nationale bonden aangesloten. Van nette en minder nette landen. De Arabische staten zijn ook vertegenwoordigd in de FIFA. Dus ja, dat kan.

De kans dat een moslim president wordt van de FIFA is op korte termijn groter dan dat een moslim president van Frankrijk wordt. Dat wist Michel Houellebecq ook niet toen hij Soumission schreef, zijn vorige week verschenen, profetisch bedoelde roman. Maar vooruit, na de zeven Europeanen en die ene Braziliaan die sinds 1904 het voorzitterschap van de FIFA bekleedden, wordt het misschien wel tijd voor een vertegenwoordiger van een ander continent.

Vraag is wel: wat voor moslim hebben we hier in de kuip? We hebben er liever niet een van het radicale soort – dat geldt in het algemeen voor kandidaten die een religie aanhangen. Voor je het weet wordt dan het voetbal op zondag verboden. Of op zaterdag. Of op vrijdag.

Ali bin Al-Hussein lijkt van de verlichte islamtak, gezien de inspanningen die hij zich getroostte om het vrouwenvoetbal te promoten. Hij tandenknarste bij de wedstrijd tussen de vrouwenteams van Jordanië en Iran, in 2011 in Amman. Jordanië won met 3-0 zonder te scoren. Een reglementaire overwinning doordat nog voor de aftrap het hele team van Iran, huilend en wel, op last van FIFA-officials het veld werd uitgestuurd. Omdat de speelsters hoofddoekjes droegen. Dat was verboden. Al-Hussein maakte zich persoonlijk sterk voor de opheffing van het hijab-verbod en met succes: het verdween vorig jaar. Hij had een strak hoofddoekje – Nederlands ontwerp, zaken zijn zaken – gepresenteerd dat aan de veiligheidsvoorschriften voldeed. „De hoofddoek in het vrouwenvoetbal heeft niets met religie te maken; het is cultureel bepaald”, zei hij bij die gelegenheid. „We zullen nu veel trotse en blije voetbalsters zien terugkeren op het veld.”

Zit het verder wel snor met deze Jordaanse prins? Nou, dat staat te bezien. Hij is tenslotte lid van het koninklijk huis van Jordanië en zijn halfbroer, koning Abdullah, is nou niet wat je noemt een onversneden democraat. Dat zit hem in het systeem: hij mag zelf zijn premier aanwijzen. Ook benoemt hij persoonlijk de leden van de senaat – dus ongeveer zoals koning Willem I het tweehonderd jaar geleden in Nederland regelde. De Jordaanse ‘Tweede Kamer’ wordt wel door het volk gekozen. Maar dat is „nauwelijks meer dan een werktuig van het paleis”, schreef Midden-Oostenkenner Carolien Roelants in deze krant na de verkiezingen van 2013 . En, bericht voor iedereen die laatst Charlie is gaan heten: persvrijheid kent Jordanië ook niet.

Of we dat Bin Al-Hussein kwalijk kunnen nemen, is de vraag. Dat hij zelf het Jordaanse staatsbestel gaat veranderen, is nog twijfelachtiger. Hij is in lijn pas de vijfde opvolger van Abdullah II – hij moet drie zonen en een volle broer van de koning laten voorgaan.

Nu is democratie in de voetbalsport niet het hoogste doel. Integendeel, over de opstelling van een elftal wordt wel gemokt, maar niet gestemd. De trainer/coach mag dictator zijn; hooguit verleent hij soms wat inspraak als hij de aanvoerder aanwijst. Buiten de lijnen gelden andere regels. De FIFA kent min of meer democratische procedures. Op papier althans. Dus, leden, stem maar: Blatter, Champagne of Al-Hussein. Hmm. Nou, Blatter niet.