Een leven zonder hoop is een leven zonder moraal

Hoe kwamen de drie mannen in Parijs tot hun waarom? Kunnen we dat begrijpen? Philip Huff komt uit bij Truman Capote.

2010: jongeren gooien stenen naar de politie in Nanterre, een westelijke voorstad van Parijs.
2010: jongeren gooien stenen naar de politie in Nanterre, een westelijke voorstad van Parijs. Foto AFP

Wat de drie jongemannen vorige week in Parijs hebben gedaan is niet goed te keuren. Zoveel is duidelijk. Dat is ook de toon van het debat in de media, sindsdien. Het is waarschijnlijk niet eens te begrijpen, schrijven de meeste commentatoren. Wie kan zich inleven in zulke moordenaars, hun waarom begrijpen? En: willen we dat eigenlijk wel?

Wat wel wenselijk is om te begrijpen, is hoe de drie tot hun waarom kwamen. De troost die daar te vinden is, is niet zozeer de troost van het begrip, maar hopelijk de hoop om dergelijke tragedies in de toekomst te voorkomen.

De meest primitieve vorm van ‘begrip’ is de wijzende vinger in het debat, zoals die kwam van Ayaan Hirsi Ali. De voormalige VVD-politica meende vorige week in een opiniestuk in de Volkskrant dat iedereen die de islam aanhangt, een ideologie ondersteunt die geweld legitimeert. Maar de miljoenen reacties wereldwijd, van evenzoveel moslims, ondermijnen deze uitspraak direct.

Wat in Frankrijk wel een grote rol speelt bij radicalisering van jongeren is bijvoorbeeld de armoede in de banlieues, het lage opleidingsniveau, en haat over wat de Britse wetenschapper Andre Hussey in NRC Handelsblad ‘de gemiste koloniale belofte’ noemde. Het is voor jongeren in de banlieues niet zo dat Parijs – en dus de Franse republiek – hetzelfde biedt als voor hun leeftijdsgenoten in het vijfde of zesde arrondissement.

De klassieke vraag is: wat valt te beïnvloeden, en wat niet? Een groot deel van de reacties na de aanslag was daarom: hier valt niet tegenop te beveiligen. ‘Er stonden agenten bij de redactie – wat konden die doen?’

Dat is allemaal waar. Maar het zijn constateringen aan het einde van de lijn. In de auto die woensdag de straat van het kantoor van Charlie Hebdo inreed, zaten mannen die al achttien of dertig of drieëndertig jaar in Frankrijk woonden en radicaliseerden onder invloed van radicale imams die veelal niet in Frankrijk zijn geboren. De dieperliggende vraag is: hoe krijgt hun boodschap van haat kans wortel te schieten? Dus niet alleen: hoe komen die imams binnen, maar ook: waarom vinden zij gehoor? Hoe klein ook?

Ik ging op internet op zoek naar informatie over Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh. Ik wist eigenlijk heel weinig over deze jongen. B. komt uit Slotervaart, een stadsdeel van Amsterdam. Hij deed de havo, probeerde een buurtcentrum op te zetten waarvoor de subsidieaanvraag werd afgewezen. Tussen 2003 en 2004 radicaliseerde de middentwintiger. Dat wil zeggen: in iets meer dan een jaar liet hij niet alleen een baard staan en begon een djellaba te dragen, maar vermoordde hij tevens iemand omdat die ‘zijn’ profeet beledigde.

Misschien dat B. het gevoel had dat hij niets voorstelde, dat hij meende méér voor te stellen – in relatie met zijn God – én op straat, als hij Van Gogh iets aandeed. Idem voor de daders van de slachting bij Charlie Hebdo.

Reconstructie van een moordpartij

De Amerikaanse auteur Truman Capote (1924 – 1984) schreef in 1966 een boek over een bloedige, ogenschijnlijk zinloze moordpartij in Holcomb, Kansas, zeven jaar eerder. De acteur Philip Seymour Hoffman, die de rol van Truman Capote speelt in de film Capote, zegt over de totstandkoming van dat boek: „Researching this work has changed my life. It’s altered my point of view about almost everything. And I think those who read it will be similarly affected.”

De inhoud van dit dikwijls als eerste non-fiction novel aangeprezen werk is een lange reconstructie van de bloedige moordpartij op een zekere familie Clutter, een voorbeeldig, gewaardeerd gezin dat op een nacht door twee mannen wordt overvallen op hun boerderij.

Capote beschrijft zowel de moordpartij, de dagen, weken, maanden en jaren die eraan voorafgaan, als de vlucht van de twee moordenaars, hun arrestatie, het proces en hun uiteindelijke executie, maar ook hun jeugd en sociale achtergrond. Die beschrijving is zorgvuldig, beeldend en levendig, en verkent de complexe relatie tussen twee crimineeltjes die uitloopt in een bloedbad. Maar wat bij de lezer de meeste indruk maakt, is dat het boek volledig dienstbaar is aan Capotes perspectief op de misdaad. In In Cold Blood staan niet de daders of de slachtoffers centraal, maar de gebeurtenis en de menselijke waarheid daaromtrent, en zo uiteindelijk menselijk handelen met betrekking tot ‘goed’ en ‘kwaad’.

Wat Capote met In Cold Blood uiteindelijk duidelijk maakt, is dit: wat het meeste mist in de levens van de moordenaars Hickock en Perry is uitzicht. Hoop. Ze zijn kleine criminelen die vastgelopen zijn in een bestaan zonder uitgang. Ze voelen zich in het geheel niet verbonden met de wereld om hen heen.

En dan blijkt een bestaan zonder hoop een bestaan zonder moraal te zijn: handelen-zonder-hoop is fundamenteel wat anders dan handelen-met-hoop. Het is het verschil tussen zoveel mogelijk verantwoordelijkheid willen nemen voor wat je doet, of helemaal geen verantwoordelijkheid durven nemen voor wat je doet, of bent.

Het is het verschil tussen het gevoel hebben dat je ertoe doet of helemaal niet.

Een maatschappij moet hoop bieden

Natuurlijk, die moordenaars hebben een eigen verantwoordelijkheid. Maar een maatschappij – zowel de Amerikaanse maatschappij toen, als de Franse en de Nederlandse nu – moet zijn burgers, al zijn burgers, hoop bieden, een uitzicht. Op iets positiefs. Iets positievers, in ieder geval, dan dood door martelaarschap.

In Cold Blood is een roman die de tijd neemt de complexiteit te ontrafelen van de vraag waar kwaad vandaan komt, en waar de grens ligt tussen kwaad waartegen je niets kunt beginnen en kwaad dat wellicht af te wenden valt.

Wat duidelijk wordt, is dat op het moment van de overval van de twee daders ingrijpen eigenlijk niet meer mogelijk is. Het kwaad is al geschied.

Het waarom van Hickock en Perry is wellicht nooit te begrijpen, betoogt Capote, net zomin als het waarom van B., of het waarom van Saïd Kouachi en Chérif Kouachi. Maar: een deel van het hoe was dat zij geen alternatief zagen dat beter was dan de mogelijkheid of de haat die hen werd geboden. Overal zijn er mensen die zich ‘vrijwel niemand’ voelen, en iedereen heeft daar aandeel aan, hoe klein ook – en misschien is dat aandeel wel het enige waar wij zelf iets aan kunnen doen.