De ooievaar blijft deze winter lekker in Nederland

Vele ooievaars overwinteren thuis, bleek uit tellingen dit weekend. Normaal gesproken trekken ze weg naar de warmte. Geen goed nieuws dus.

foto AFP

Als ooievaartellers ooievaars gaan tellen, hopen ze er zo min mogelijk tegen te komen. In de winter althans. Want dan hoort de vogel hier helemaal niet te zijn. Dan moet die trekken. Naar het Nigerdal in Mali bijvoorbeeld, of naar de muizenrijke vuilnisbelten van Zuid-Spanje.

Dus was de voorlopige uitslag van de ooievaarwintertelling 2015 helemaal niet zulk goed nieuws: 574 ooievaars, 51 meer dan vorig jaar. Afgelopen weekend werden ze gespot door 245 tellers in het hele land. En het aantal van 574 kan nog oplopen, want het gaat om een voorlopige uitslag – sommige tellers bellen of mailen hun ooievaars later door. De definitieve uitslag komt in de loop van deze week.

De meldingen worden geturfd door Wim van Nee (54) uit Emmen, samen met zijn vrouw Annemieke Enters (52). Van Nee is al een kwart eeuw bezig met ooievaars. Eerst bij de Vogelbescherming, nu via zijn stichting, Stork (Stichting Ooievaars Research & Knowhow), die de telling organiseert. En hij telt zelf natuurlijk ook.

Dit jaar ging dat ongeveer zo. Wekker uit, opfrissen en de auto in. Verrekijker mee en binnen handbereik op het dashboard, want een ooievaar zie je niet aankomen. Die kan zomaar opduiken. En dan moet je er snel bij zijn om met de kijker naar een ringnummer aan de poot van het dier te speuren. Zit die eraan? Noteren. Zo kan precies worden bijgehouden om welke ooievaar het gaat. Notitieblokje en pen zijn dus ook voorhanden.

Een leeg nest is ook informatie

Van huis in Emmen gaat het naar de ooievaarsnesten bij Oosterhesselen. Leeg. Op naar Aalden. Ook niks. „Het melden van een leeg nest is ook informatie”, zegt Van Nee opgewekt. Dan, bij De Schiphorst, een buurtschap even buiten Meppel, is het raak. Net na een bosje, aan de linkerkant van de weg, staan twee ooievaars stokstijf in het gras. Remmen. Van Nee draait zijn Toyota de berm in. Verrekijker, hup. Een van de twee vogels heeft een ring om zijn poot, maar staat voor Van Nee te ver om het nummer af te lezen. „Maar ik ken ze wel”, zegt hij. „Ze komen uit dat nest.” En hij wijst naar een groot nest boven op de schoorsteen van Eetcafé Het Vergulde Ros, aan de overkant van de weg. „Ze doen nog niet zoveel. Ze staan een beetje te staan”, zegt Van Nee na een minuut of vijf. „Beetje pikken, het zijn luie eters. Een vis gaat te snel voor ze, ze moeten het van de regenwormen hebben.”

Trekvogel werd overwintervogel

Een jaar of twintig geleden was het uitzonderlijk, een ooievaar die een beetje in zompig gras pikt. Op een gegeven moment waren er nog maar zeventien bewoonde nesten in Nederland. Maar dankzij een fokprogramma van de Vogelbescherming gaat het weer goed met de Nederlandse ooievaar. Op het hoogtepunt van het jaar, in het broedseizoen, zijn er volgens Stork ruim 3.000 ooievaars in Nederland. In het najaar trekken alle jongen en de meeste volwassen ooievaars via West-Frankrijk naar Zuid-Spanje, of verder, soms zelfs naar Mali.

Door nieuwe EU-regelgeving kan die route weleens in gevaar komen, denkt Van Nee. Open stortplaatsen in Frankrijk en Spanje, waarin ooievaars hun voedsel vinden, moeten dicht.

Het zou kunnen betekenen dat er meer ooievaars in Nederland blijven overwinteren. Want ja, als het hier echt koud wordt, zijn er meestal wel mensen die ze voeren. Tegen de natuur van de trekvogel in. „Mijn gevoel zegt dat dat slecht is”, zegt Van Nee. „Maar ja, is het erg dat ze hier overwinteren? Zolang het niet wekenlang vriest, kunnen ze zichzelf redden.”

De Toyota staat inmiddels in een bos bij het Ooievaarsbuitenstation bij De Schiphorst in Zuid-Drenthe. Vroeger de plek waar ooievaars gefokt werden, nu komen de vogels er nog steeds. Het is de plek met de grootste ooievaarpopulatie van het land. Dit jaar overwinteren er meer dan honderd ooievaars. Dat komt doordat het riviertje de Reest iedere winter weilanden onder water zet. Makkelijk wormen vangen, zegt Van Nee. Verderop in het bos staat het bewijs: zo’n vijftig ooievaars, prikkend in het gras. Ooit trekvogels, nu gewoon wintervogels in Nederland. Er valt weer wat te tellen.