Componeren, dat hoorde je als vrouw niet te doen

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: muziek van vrouwelijke componisten.

Beeld Yara van der velden

Ik schaam me een beetje. Sinds halverwege september staat deze rubriek in nrc.next. En nog niet één keer heb ik ook maar een naam genoemd van een vrouwelijke componist.

Hoe leg ik dat mijn feministische moeder uit, die tot het einde van het tijdperk-Cisca Dresselhuys trouw abonnee was van Opzij?

Ik denk dat in geen enkele kunstvorm de positie van de vrouw zo beroerd is als in de scheppende toonkunst. De componisten die we worden geacht te kennen, de grote meesters: het zijn altijd mannen. De namen op de cartouches in het Amsterdamse Concertgebouw waar ik naar staar als mijn gedachten afdwalen? Er staan tal van vergeten B-componisten op de eregalerij, maar er is geen vrouw te bekennen.

Zelfs bij mij rollen de namen er niet zo snel uit. Ik denk aan Hildegard von Bingen, die in de twaalfde eeuw religieuze muziek schreef. Aan Sofia Goebaidoelina (een Russische, geboren in 1931), de componiste wier muziek het vaakst wordt uitgevoerd. Maar volgens Bachtrack.com, een website die ieder jaar statistiekjes presenteert over klassieke muziek, staat Goebaidoelina pas op de 132ste plaats (!) van meest gespeelde componisten in 2014.

Als deze notering klopt (en ik heb helaas geen reden om daar aan te twijfelen), zou je kunnen constateren dat we sinds de negentiende eeuw nauwelijks wat opgeschoten zijn.

Dat zijn we gelukkig wel. Vrouwen worden overal toegelaten aan conservatoria. Geen weldenkend mens zal een jonge componiste nog ontmoedigen om muziek te schrijven, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde bij Maria Anna ‘Nannerl’ Mozart en Fanny Mendelssohn. Beiden waren zeer talentvol, toch zullen ze altijd de ‘zussen van’ Wolfgang Amadeus en Felix blijven. Componeren, dat hoorde je als volwassen vrouw niet te doen.

Uit de literatuur zijn verhalen bekend van vrouwelijke schrijvers die een mannennaam als pseudoniem gebruikten (denk aan George Eliot en de zusters Brontë) om serieus genomen te worden. Componisten hadden (en hebben) het wat dat betreft lastiger: hun muziek moet ook nog worden uitgevoerd. Daarom hebben we van vrouwelijke componisten uit de vorige eeuwen naar verhouding meer liederen en kamermuziek dan orkestwerken, de kleine genres dus.

Een van de uitzonderingen is Clara Wieck (1819-1896), die onder meer een pianoconcert schreef. Beslist geen excuustruus. Wieck was een beroemd pianiste in haar tijd. Maar ook zij staat nog altijd in de schaduw van een man: haar echtgenoot Robert Schumann. Na zijn dood stelde ze zich vooral ten dienste van zijn muzikale nalatenschap. Stand by your (dead) man.

Als je je verdiept in het lot van de vrouwelijke componisten kom je veel verhalen van onderdrukking tegen – en ander schrijnends, zoals het verhaal van Lili Boulanger (1893-1918). Zij gold als een van de grootste talenten van haar generatie. Ze schreef rijke, intense en expressieve muziek. Maar ze stierf veel te jong: ze was 24 toen ze overleed aan de ziekte van Crohn.

Ook een Nederlandse wil ik niet onvermeld laten: Henriëtte Bosmans (1895-1952). Elke keer als ik stukken van haar hoor, denk ik: waarom hoor ik dit niet vaker? Ze componeerde stukken van internationale allure. Indrukwekkende liederen. Een klein oeuvre, maar hartstikke goed.