Brave Charlie

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits
Illustratie Eliane Gerrits

Ik woon in het land van Charlie. Dat wil zeggen, Charlie Brown, het wat vroegoude jongetje uit de geliefde Peanuts strip. Charlie zoekt altijd het goede en reflecteert aan het eind van de dag graag op het leven, samen met zijn filosofisch aangelegde hondje Snoopy.

De aanslag op die andere Charlie, het vileine Parijse neefje, wordt hier koeltjes ontvangen. De meeste kranten en tijdschriften wagen zich er niet aan de gewraakte cartoons af te drukken. De opiniebijlage van The New York Times kende op de zondag van de grote demonstratie slechts één bijdrage over Parijs, waarin vooral de algemene teloorgang van Frankrijk werd aangekaart.

The New Yorker, het lijfblad voor de elite, staat elke week vol met tekeningen, niet een daarvan is aanstootgevend. We zien oudere heren in New Yorkse clubs, verveelde echtparen in bed en sprekende honden en katten. De voorkant van deze week reflecteert de moorden in Frankrijk op karakteristiek afstandelijke wijze. De Eiffeltoren eindigt in een scherp, rood potloodpuntje. Niemand zal zich aan deze tekening prikken.

Amerika koestert zich graag onder de warme deken van de politieke correctheid. Iedere hoofdredacteur, politicus of universitair bestuurder loopt angstvallig om de etnische, religieuze en politieke lange tenen heen.

Niet dat hier geen gekke dingen worden gezegd of gedaan. Integendeel. Er is juist een veelheid aan idiote sektes en extreme geloven. Zoals de kerk van dominee Fred Phelps die protesteert bij begrafenissen van gesneuvelde militairen met leuzen als „Dank God voor dode soldaten”, omdat men gelooft dat God Amerika straft voor de „zonde van de homoseksualiteit”. De conservatieve opperrechter John Roberts verdedigde dit recht op vrijheid van meningsuiting: „Woorden zijn machtig. Ze kunnen mensen in beweging brengen, tot tranen van geluk en verdriet ontroeren, en – als in dit geval – grote pijn bezorgen. We kunnen niet op die pijn reageren door de spreker te straffen.”

De terughoudendheid controversiële meningen publiek te etaleren en via de media te versterken heeft een historische verklaring. De Verenigde Staten zijn het immigratieland bij uitstek. Vanaf het begin was het de favoriete bestemming van vervolgde minderheden en religieuze fanatici. Puriteinen, quakers, Amish, methodisten, wederdopers – allen kwamen ze om hier hun eigen „religieuze staat” te stichten. Het land was groot genoeg om de bijtende geloven uit elkaar te houden. Latere golven van Ierse en Italiaanse katholieken, Russische joden, Chinese boeddhisten, Iraanse moslims en Indiase hindoes maakten het religieuze mozaïek nog ingewikkelder. Voeg daarbij de eigen kweek van mormonen en scientology. Queens met al zijn kerken, sjoels, tempels en moskeeën lijkt het centrum van Jeruzalem.

Daarbij komt dat Amerika voor altijd is getekend door de slavernij, een gapende wond in de verlichtingsidealen. Het leidde tot de Burgeroorlog en die werd pas door de burgerrechtenbeweging van de jaren 60 echt beëindigd.

De gemeenschappelijke noemer in Amerika is eerder de tolerantie van intolerantie en het overbruggen van bijtende tegenstellingen, dan een gedeelde geschiedenis of nationale identiteit. Zelfcensuur en schijnheiligheid zijn de belangrijkste instrumenten om de vele heiligheden bij elkaar te houden, de noodzakelijke schaduwzijde van de vrijheid die men hier zo hoog in het vaandel heeft. Met kousenvoetjes loopt men op de eierschaal van „eenheid uit velen”, juist deze dagen. Om die andere brave cartoonfiguur te citeren, Stampertje, het driftige konijntje uit Bambi: „Als je niets aardigs te zeggen hebt, zeg dan maar helemaal niets.”