Politie volgde de drie daders – tot vorige lente

Bij het volgen van potentiële terreurverdachten moeten veiligheidsdiensten keuzes maken. Bij de Parijse daders pakten die verkeerd uit.

De broers Chérif en Saïd Kouachi, die toesloegen op de burelen van Charlie Hebdo, waren voor de Franse inlichtingendiensten geen onbekenden. Ook hun vriend Amedy Coulibaly, die donderdag een politieagent en vrijdag vier gijzelaars in een kosjere supermarkt in het oosten van Parijs ombracht, is in verschillende fasen van zijn radicalisering nauwgezet in de gaten gehouden. Maar de ogenschijnlijk lang voorbereide acties, die pas eindigden nadat de daders stierven in een spervuur van politiekogels, zijn de veiligheidsdiensten totaal ontgaan.

Na drie dagen van terreur en de verzoenende republikeinse mars van gisteren, stelt Frankrijk zich nu voorzichtig de vraag hoe dit alles heeft kunnen gebeuren. „Er is een zwakke plek”, erkende premier Valls vrijdag in gesprek met het televisiejournaal van TF1. „Als er zeventien doden zijn, dan zijn er fouten gemaakt.” Daarnaast werd dit weekeinde bekend dat Coulibaly woensdag waarschijnlijk ook een jogger beschoot, die daarbij zwaargewond raakte.

Er zijn volgens Valls sinds augustus 2013 weliswaar vijf andere aanslagen in Frankrijk verijdeld, maar uit wat vorige week is gebeurd, moet het land „lessen trekken”.

Dat hadden de Fransen eerder gehoord. De cv’s van de drie mannen roepen herinneringen op aan die van ‘scootermoordenaar’ Mohammed Merah, de voormalige draaideurcrimineel die na training in Afghanistan en Pakistan in 2011 in Toulouse zeven mensen doodschoot. De inlichtingendiensten hielden ook hem aanvankelijk in de gaten. Maar hadden de intensieve surveillance al stopgezet toen hij bij een Joodse school in actie kwam. Ook bij hem waren geen acute aanwijzingen voor een aanslag.

Al in 2005 wordt de jongste van de twee broers, Chérif, voor het eerst gearresteerd vanwege het rekruteren van jihadisten voor de strijd in Irak. Hij en Coulibaly staan in 2010 opnieuw onder verdenking als ze de Algerijnse bommenmaker Smaïn Aït Ali Belkacem uit de gevangenis proberen te bevrijden. Sleutelfiguur in deze operatie is de charismatische Djamel Beghal, die een aanslag beraamd heeft op de Amerikaanse ambassade in Parijs, en de ‘mentor’ van de Kouachi’s en Coulibaly wordt genoemd.

Als Saïd Kouachi in 2011 volgens Amerikaanse inlichtingenbronnen naar Jemen vertrekt voor militaire training, is dat voor de VS reden genoeg om hem op een lijst te zetten van personen die niet op vliegtuigen mogen stappen in of naar de VS. In nauw overleg met de Verenigde Staten houden de Fransen de broers intensief in de gaten. Maar die surveillance stopt volgens Amerikaanse media in het voorjaar van 2014.

Wat daarna precies gebeurt, is onduidelijk. Maar de broers zouden thuis in de Parijse voorstad Gennevilliers een enorm wapenarsenaal hebben opgebouwd. Hoewel dat ontdekt is door de buren, kwam de politie het nooit te weten: de contacten tussen de politie en de bewoners van de banlieue zijn traditioneel wantrouwend.

„Er was geen enkel belastend element dat de opening van een justitieel onderzoek rechtvaardigde”, zei de Franse minister van Binnenlandse Zaken Bernard Cazeneuve dit weekeinde. Dat is, merkte Le Monde op, hetzelfde commentaar als de toenmalig minister in 2011 na de moordpartij van Merah in Toulouse gaf.

Die affaire leidde destijds tot een intensieve evaluatie van de binnenlandse veiligheidsdienst DCRI. Daarbij kwamen grote organisatorische problemen boven water. Traditionele informanten hadden plaatsgemaakt voor vooral digitale spionage, verschillende afdelingen communiceerden slecht. Een intensieve reorganisatie (en uiteindelijk een naamsverandering tot DGSI) moest een nieuwe start geven en nieuwe drama’s voorkomen. Toenmalig president Sarkozy beoogde een „FBI à la française.

Syriëgangers

Maar de dienst zegt nu overbelast te zijn. Medewerkers beklagen zich over de hoge werkdruk door de vele honderden Fransen die naar Syrië en Irak zijn afgereisd om zich bij terreurgroep de Islamitische Staat te voegen. Circa 180 van hen zijn al teruggekeerd op Franse bodem en worden, zo veel mogelijk, gevolgd. Maar om één verdacht persoon in de gaten te houden zouden ten minste vijftien agenten nodig zijn, zeggen de specialisten. En de DGSI heeft vooralsnog niet meer dan 3.500 man in dienst.

„We moeten keuzes maken”, zei voormalig contra-terrorismechef Christian Prouteau daarom op de Franse radio. „We waren de laatste tijd vooral bezorgd om de mensen die uit Syrië kwamen”, erkende hij.

Wat in Jemen gebeurde, had vooral de aandacht van de Amerikanen. Maar hoe eerder op Franse bodem geradicaliseerde oude bekenden daardoor vergeten konden worden, zal de komende maanden onderwerp zijn van intensief onderzoek.